In een hoek gesmeten

Wat overkomt een moeder als haar zoon op zijn vijftiende schizofreen blijkt? Dertig jaar geleden mocht Ria van der Heijden niet praten met haar zoon. Zij kreeg van de therapeut de schuld van zijn schizofrenie. Maar nu wordt haar zoon beschouwd als een hersenzieke en moet hij zelfstandig wonen. Dertig jaar hulpverlening door de ogen van een betrokkene. `Iemand die gek wordt, schoppen we de straat op en noemen we overlastgever.'

Ria van der Heijden (75) heeft vijf zonen. Eén werkt als psycholoog. Een ander zit in het interim-management. Weer een ander is museumdirecteur. En één is schizofreen. ,,Huug. Hugo. Hij is 48. Toen hij gek werd, was hij vijftien.''

Daarvoor was Hugo `een gewone jongen': ,,School, feestjes, alles d'r op en d'r an. Heel normaal allemaal.'' Hij zat op de mavo. Zijn cijfers waren goed. En hij hoorde erbij, op de feestjes in het souterrain van het ouderlijk huis. ,,Het summum op die feestjes was dat er werd gehuild. Dat het zo emotioneel was dat ze huilden. Er hebben er vijf gehuild, mam, zeiden ze dan, en dan was het een fantastisch feest geweest. Het was de tijd: begin jaren zeventig.''

Hugo was begaafd. Hij kon uitzonderlijk goed tekenen. Hij volgde tekenlessen en hing veel rond in musea. Zijn ouders dachten dat hij misschien kunstschilder zou worden. Maar op zijn vijftiende veranderde Hugo. Hij ging zich afzonderen van het gezin. Hij zat veel alleen op zijn kamer. En als het etenstijd was, weigerde hij naar beneden te komen.

Ria van der Heijden: ,,Ik dacht eerst dat het door de tijd kwam: lang haar, rare kleren, vegetarisch eten, gevoelige feestjes. En hij zat in de puberteit.''

Maar het werd steeds erger. ,,Dan zaten wij aan tafel en verdomde hij het om mee te eten. Hij werd ook heel mager. Dus heb ik op een dag de huisarts laten komen. Die zei: hij heeft hongeroedeem. Toen moest hij onmiddellijk naar het ziekenhuis. Naar de psychiatrische afdeling, want het was gek wat hij deed. Hij wilde ook niet meer drinken.''

In de maanden die volgden mochten zijn ouders hem niet zien: schizofrenie werd in die tijd niet beschouwd als een hersenziekte, maar als een met psychotherapie behandelbare aandoening. ,,Het kwam misschien wel door ons dat hij zo gek deed, was het idee. Dus mochten wij tijdens de behandeling geen contact met hem hebben. We mochten alleen met de psychiater praten.''

Aan die begintijd bewaart Ria van der Heijden twee hele duidelijke herinneringen. De ene betreft een bezoek aan de psychiater. ,,Die had een kamer met uitzicht over de hele stad. Ik zag de stad en tegelijk zag ik mezelf weerspiegeld in het raam. Ik droeg een oranje jurk, die kleur was toen in de mode, net als nu. Dus ik zag dat oranje jurkje, en terwijl de psychiater praatte, voelde ik mezelf opblazen. De jurk werd een ballon, ik werd in het raam een oranje ballon. Want het kwam door mij. Door de moeder. Moeders kregen toen de schuld. Het waren koude, kille moeders die dit soort kinderen kregen.''

De andere herinnering is van een paar maanden later. Haar zoon was overgebracht naar een therapeutische gemeenschap. Op een dag liep hij weg. ,,Het was heel slecht weer. Het regende en het woei. En dan lig je in bed en je doet de hele nacht geen oog dicht, want je weet: mijn zoon van vijftien, mijn kind, zwerft door het land.'' Uiteindelijk kwam hij bij de politie terecht. ,,Daar konden we hem de volgende dag ophalen. Hij had in een cel geslapen.''

Voor het gesprek heeft Ria van der Heijden twee schilderijen naar beneden gehaald: ingelijste, half-figuratieve, half-abstracte aquarellen in zachte kleuren. ,,Die maakte hij tot een paar jaar geleden. Toen zat hij in een paviljoen waar ze veel aandacht aan hem besteedden. Dus maakte hij schilderijen, stapels en stapels schilderijen. Verf, papier, kwasten: het was niet aan te slepen.''

Kleurboeken

Maar het paviljoen verdween. Veel paviljoens verdwenen. Dat begon een jaar of tien, vijftien geleden, toen medicijnen het mogelijk maakten dat schizofrene en psychotische patiënten beter voor zichzelf konden zorgen. In plaats van in paviljoens gingen ze in huizen wonen. Soms op het terrein van een psychiatrisch ziekenhuis, vaak ook in de stad, de zogenoemde vermaatschappelijking. In lijn daarmee werden tien jaar geleden de rechten van zelfstandig wonende psychiatrische patiënten uitgebreid. Die worden nu pas opgenomen als ze dat zelf willen. Gedwongen opname is wettelijk alleen mogelijk als iemand een direct gevaar voor zijn omgeving vormt. Maar dat voorschrift staat ter discussie: psychiaters en ook patiënten pleitten er gisteren voor nog meer dwang mogelijk te maken.

Hugo woont in Noordwijkerhout. Maar in plaats van in een paviljoen woont hij sinds een paar jaar met vier andere patiënten in een huis op het ziekenhuisterrein. Hij maakt geen schilderijen meer. Hij kleurt in kleurboeken. ,,Er komt één keer per dag een verpleegkundige een uur, soms twee uur. Maar soms komt er ook een hele dag niemand. Denk jij dat die verpleegkundige zegt: `Laten we even gaan tekenen?' Natuurlijk niet. Die heeft daar helemaal geen tijd voor. Dus kleurt hij nu visjes en autootjes.''

Het is dit voorjaar ,,precies twintig jaar geleden'' dat Ria van der Heijden ,,hier in de huiskamer'' Ypsilon oprichtte, de vereniging van familieleden van mensen met schizofrenie of een psychose. Net als veel andere ouders van schizofrene patiënten was ze jarenlang buiten de behandeling van haar zoon gehouden. ,,We wisten heel weinig. Daar waren we boos over.'' De vereniging legde zich toe op het verschaffen van informatie, zette gespreksgroepen op en gaf adviezen.

Tegenwoordig wordt schizofrenie erkend als hersenziekte en zijn er medicijnen. Maar Ria van der Heijden is ,,bozer dan toen''. ,,Het was natuurlijk erg dat ik mijn zoon niet mocht zien. En dat ze dachten dat ze hem met praten konden genezen. Maar het was een theorie. En het was een theorie die mij erger trof dan mijn zoon. Hugo had het naar de zin. Hij schilderde, verzorgde kippen, hakte hout.

,,Je moet je voorstellen: deze mensen zaten achter de hekken van een natuurgebied. Ze zaten achter hekken, maar ze hadden het goed. En toen werden die hekken weggehaald. Ze mochten eruit, ze moesten eruit. De maatschappij in. Deze kinderen zijn tien, vijftien jaar geleden in een hoek gesmeten. Absolute nitwits hebben toen gezegd: ze moeten de stad in. En daar zitten ze nu te verkommeren in een flatje op driehoog. Of ze zwerven over straat. Ze vallen in verkeerde handen. Raken verslaafd.

,,Het is een theorie, zoals het vroeger een theorie was dat ik mijn zoon niet mocht zien. Maar het is een onbarmhartige, liefdeloze theorie. Er horen ook woorden bij die niet deugen. Zoals het woord cliënt. Een cliënt is iemand die de keuze heeft. Maar een schizofrene patiënt heeft geen keuze. En toch hebben mensen die beter zouden moeten weten, hoog opgeleide mensen, het over cliënten en over overlastgevers. En overlastgevers moet je opruimen natuurlijk.

,,Op het moment dat je zulke woorden gebruikt, kun je dat ook doen. Als je patiënt zegt, kun je dat niet doen. Je zou de wereld eens moeten horen als er een paar honderd kankerpatiënten rondzwierven door de stad. Maar dat gebeurt niet. Want wij noemen kankerpatiënten geen overlastgevers. Maar een schizofrene patiënt heet een cliënt. Hij geeft overlast en hij wordt gedumpt. Het is schandalig, werkelijk schandalig zoals wij hier mee omgaan. Ik kan er niet over uit. Eerst zaten deze mensen achter hekken in natuurgebieden, nu verdwijnen ze achter de hekken van de gevangenis.

,,Mijn jongen heeft nog geluk gehad: hij woont niet in de stad. Maar hij is wel van een paviljoen verhuisd naar een huis, want een paviljoen vonden ze ouderwets. Een eigen huis op het terrein van een inrichting, dat is heel goed. Maar alleen als iemand daar dan ook alleen woont. En als er goede begeleiding is. Dat bestaat ook. Dan is er een gebouw bij waar ze kunnen werken: stoelen bekleden, fotolijstjes maken, dat soort dingen. En er is een café waar ze een kroketje kunnen eten of een gebakken eitje. Zo hoort het.

,,Maar wat je ook hebt – en daar zit mijn kind nu – dat zijn huizen waar ze met z'n vijven in zitten. Vijf gekken in een doorzonwoninkje. En als er één gek wordt, worden ze allemaal gek. Gek van elkaar.

,,Ik ga er elke zaterdag naar toe. En dan loop ik daar en dan denk ik bij mezelf: hij zit onderdak en hij zit niet in de gevangenis. Dat zijn de pluspunten. Hij zwerft in elk geval niet door de stad. Hij is geen overlastgever. Maar ik vind: deze mensen horen op de mooiste plekken te wonen. Niet de rijken, nee, deze mensen.

,,Een jaar of tien geleden hield ik een keer een speech en toen zei ik: beste mensen, mijn kleinkind is nu net geboren. Later, als hij tien of elf jaar oud is, loop ik met hem langs Sancta Maria in Noordwijkerhout. Of langs Santpoort. Langs Bavo. En dan staan daar prachtige, chique huizen. En dan zegt mijn kleinzoon: oma, wat wonen hier een rijke mensen. En dan zeg ik: ja kind, en vroeger, vroeger woonde hier je gekke oom. Je oom Hugie.

,,Wat ik dacht is nu dus gebeurd. En als je dan bedenkt dat die terreinen voor een dubbeltje op de begroting stonden. Want ze waren door die broeders en die nonnen natuurlijk allang afbetaald. Allang. De groenteboer op de hoek zou nog beter weten. Je gaat toch geen terrein verkopen terwijl ik, en anderen, ons rotzoeken naar een goede plek voor ons kind? Dat is toch bespottelijk? Snap je hoe bespottelijk dat is?

,,Kijk, als jij zegt dat een patiënt een cliënt is, dan vraag je hem: wat wil je liever. Nou, in een doorzonwoninkje, zeggen ze dan. Of in een flatje. Natuurlijk zeggen ze dat. Maar ze weten niet dat in het instituut hout kan worden gehakt. En dat je er plantjes kan planten. En niet in dat flatje.

,,En denk niet dat de buren ze zullen helpen. Want die krijgen er alleen maar last mee. Want het zijn overlastgevers. Natuurlijk. Als je het zo aanpakt. Dus het is allemaal flauwekul. Deze mensen horen niet in flatjes te zitten. Ze staan niet in de maatschappij. Ze hebben geen contact met hun buren. Dat is een leugen.''

Niet aaibaar

,,Het komt natuurlijk ook doordat je er niet mee kunt scoren. Je kunt deze mensen niet beter maken. Ze zijn ook niet aaibaar. Daarom is er ook meer geld voor zwakzinnigen dan voor krankzinnigen. Want als jij een baby'tje krijgt dat zwakzinnig is, dan is dat iets heel anders dan wanneer jouw kind van vijftien krankzinnig wordt. Een baby'tje is lief. En zielig.

,,Dus daar hebben de mensen medelijden mee. En zelf ben je dan nog jong. Dus je zet alles op alles om je best te doen voor dat kind. Maar iemand die gek wordt, dat is iets anders. Die z'n ouders zijn al ouder. Die hebben daar niet op gerekend. Die dachten dat hun jongen een groot kunstschilder zou worden.

,,Maar al is er weinig geld: het komt niet door de bezuinigingen. Het komt door de theorie. Door die theorie waar niks van klopt. Die schandalige theorie. Ik kan er gewoon niet over uit. Ik kan er niet over uit hoe slecht, hoe ongelooflijk slecht onze kinderen worden behandeld.

,,Dus als mensen mij dingen vertellen over hun kind, dan bel ik. Of ik stuur een brief. Naar het ministerie. Naar de inspecteur. Naar psychiaters. Wat ik hoor geef ik door. En ik ga naar de Rotary. Ik hou een praatje en dan hebben we weer wat geld.

,,Maar het is natuurlijk schandalig dat het geld niet toestroomt bij mij. Voor een feestje. Een nieuwe fiets. Kerstcadeautjes. Voor die arme jongen die zes keer per dag doucht en die dan een enorme rekening krijgt en niet weet hoe hij die moet betalen.

,,Ikzelf ga elke week op bezoek. En drie keer per week stuur ik vijf euro. In één keer vijftien euro kan niet. Dan gaat het niet goed. Vroeger gaf ik vijftien euro aan de verpleegkundige. Die verdeelde het dan over de week. Maar dat kan niet meer.

,,Dus dan kom ik en dan stappen we in de auto en dan rijden we naar een pannenkoekenrestaurant. Eerst over de Koningin Wilhelminaboulevard. Daarna de Koningin Astridboulevard. Dan de kleine huisjes. Dan Noordwijk-Binnen. Een vast patroon. Dat wil hij. Dus daar doe ik aan mee.

,,Hij wil ook altijd over vroeger praten. Zie jij papa nog wel eens? Nee, die is dood, zeg ik dan. Soms wil hij over seks praten. Dan gil ik vanachter het stuur: hou op tegen je oude moeder. Ach ja. Arm kind. Hij wil een fiets met een kinderzitje. Dat betekent, nou ja, dat begrijp je wel wat dat betekent. Hij wil een meisje. Dat willen ze allemaal. Ze willen allemaal een meisje. En praten over vroeger. Weet je nog, mam. Dat we vuurtjes stookten op het strand. Weet je nog, mam. Dat we dit deden. Dat we dat deden.

,,Ik weet niet of het moeilijker is dan dertig jaar geleden. Maar ik ben wel bozer. Eerst denk je: misschien wordt het beter. Misschien gaat hij vooruit. Maar dat gebeurt niet. Het wordt niet beter. Het wordt alleen maar slechter. Maar als je dat tegen hulpverleners zegt, beginnen ze weer over cliënten. Wat die ervan vinden. Wat die willen.

,,Dus ik ben boos op de domheid. En ik ben boos omdat wij bij de rijkste landen ter wereld horen en toch deze mensen in een hoek smijten. Waarom mogen onze kinderen niet wat meer liefde? Wat meer genegenheid? Wat meer verwend worden? En waarom kankerpatiënten wel? En aidspatiënten? Niet dat ik het hun niet gun. Begrijp me niet verkeerd. Maar mogen mijn arme sodemieters dan ook een beetje vreugde in het leven?

,,En dan rij ik naar hem toe. En dan kom ik langs het Malieveld. En dan denk ik: hier ga ik op een zeepkist staan. Maar er zou geen mens komen luisteren.''

Wilt u reageren? Mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam

Soms wil hij over seks praten. Dan gil ik vanachter het stuur: hou op tegen je oude moeder