Het is de hoogste tijd dat alle lidstaten Europa omhelzen...

Zwabberende ideeën over eenheid en integratie, richtingloze defensieplannen, apathisch anti-Amerikanisme Europa is de draad kwijt. Het moet anders.

En dat kan ook.

Europa zit in een malaise. Dat oogt misschien anders nu iedereen weer Europees-opgewonden doet na de aanslagen van Madrid. Maar daarachter ligt leegte: alle ideeën lijken op, verbruikt, bijgezet in het graf van de verloren illusies. Nergens is nog een gedeeld perspectief. De stapel moeilijkheden en bezwaren groeit, zoals dat gaat wanneer een project zijn ziel verliest. De komende Europese verkiezingen dreigen op zijn best in een verdoofde staat van eloquente ontkenning te worden gehouden, terwijl burgers hun aandacht verongelijkt of achteloos op andere dingen richten, geheel vervreemd van een project dat eens voor passie zorgde.

Europa, ach, `best belangrijk'.

Van dienstdoende politici mag niet worden verwacht dat zij zich neerleggen bij een politieke strategie die luistert naar de naam `doormodderen'. Zoiets enthousiasmeert niet. Zij gaan dus vastberaden en vol vertrouwen voorwaarts en beschikken in dit spin doctor-tijdperk inmiddels over een rijk arsenaal aan termen en redeneringen om zo'n rol met verve en vitaliteit te spelen. Dat grenst soms aan het schizofrene. Een voorbeeld: de Duitse minister van Defensie, Peter Struck, vertelt internationale defensieexperts begin dit jaar dat Europa een speler op het toneel van de wereldpolitiek moet worden, in staat om ,,ver reikend preventief engagement'' aan te gaan met een grotere militaire capaciteit. Applaus – dat klinkt goed. Twee dagen later meldt zijn ministerie dat het defensiebudget met 26 miljoen euro wordt gekort, waarmee het daalt naar minder dan 1,5 procent van het bruto nationaal product. Zowel voor minder als voor meer militaire uitgaven valt een redenering op te zetten, maar voor alletwee tegelijk eigenlijk niet.

Maar het gekke is dat iedereen aan dit soort dingen zo gewend raakt dat het er eigenlijk amper meer toe doet. Zolang het bevlogen gebracht wordt, is elke richting best, desnoods een paar richtingen tegelijk.

Neem een ander voorbeeld, Joschka Fischer. Een paar jaar geleden hield hij een vlammend betoog voor een federaal Europa, met een grondwet, met een twee-kamer-stelsel en eventueel met een tijdelijke kopgroep om een demarrage in de gewenste richting mogelijk te maken. Inmiddels zijn we vier jaar verder sedert Fischers befaamde Humboldt-rede en is er niets bereikt. Nu kan dat gebeuren, want weerbarstige omstandigheden kan niemand voorspellen. Maar feit is dat juist het grote, invloedrijke Duitsland in dezelfde jaren een krachtige bijdrage aan het integratieproces behoorlijk heeft gefrustreerd met een rem op sociaal-economische hervormingen in eigen land, een krachtige bijdrage aan diepe buitenlands-politieke verdeeldheid, met ondermijning van het gezag van de Europese Commissie.

Fischer is er nog altijd. Sterker nog, hij denkt er inmiddels een slagje anders over. Als ideëel project is Europa kennelijk niet veel meer dan ,,best belangrijk'', en een mens kan van mening veranderen, nietwaar.

De keuze valt hier met opzet op twee Duitse voorbeelden, omdat de meest recente Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken – en begrijpelijk, overigens – Duitsland graag zien als een land om ,,bij aan te haken'' (Ben Bot) of zelfs als ,,ankerpunt'' (De Hoop Scheffer). Aanhaken bij zoveel ongrijpbaarheid vergt souplesse en onnavolgbaarheid.

Het Constitutionele Verdrag – eufemistisch Grondwet genoemd – helpt wel, maar biedt nog geen serieuze oplossingen voor de meest serieuze problemen: de uitbreiding van de Europese Unie en het buitenlands beleid.

De Unie bezwijkt bijna onder de uitbreiding en onderwijl heeft niemand nog een begin van een antwoord op de vraag: waar houdt de Unie eigenlijk op?

Zorgwekkend is de omgang met Turkije. De ene Europese regeringsleider na de andere heeft in de afgelopen jaren met een flexibele variëteit aan beloften en verwachtingen Ankara bezocht, en opvolgers hebben dat weer genuanceerd of tegengesproken. Niemand voelt zich op dit punt verantwoordelijk voor enige consistentie van het ,,Europese beleid'', waarschijnlijk omdat geen enkele regeringsleider zich voldoende verantwoordelijk voor Europa voelt. Het is een project zonder eigenaren aan het worden.

Het trekken van grenzen van Europa is een lastig vraagstuk, want er gaat een veel fundamentelere vraag aan vooraf. Grenzen trekken kan eigenlijk alleen wanneer Europa bestaat als bezielend project, als ideaal-in-uitvoering. Wie het alleen maar wenst te beschouwen als een praktische, functionele inrichting voor verkeersvraagstukken (vrij verkeer van personen en goederen) heeft eigenlijk geen argument om grenzen te trekken, hooguit om kandidaten wat langer in de wachtkamer te zetten, omdat de verkeerscentrale van de Commissie in Brussel ook niet alles tegelijk kan.

Hier schuilt trouwens ook de inconsequentie van Bolkestein: zijn angst voor bezieling, voor geloof in Europa, brengt hem tot nuchtere, praktische ambities en tegelijk wil hij grenzen trekken alsof Europa een politieke identiteit is. Dat wringt. Maar hierin staat hij niet alleen: de criteria van Kopenhagen omzeilen het onderwerp net zo goed.

Grenzen trekken kan pas wanneer de huidige Europeanen weten wat voor project hun voor ogen staat en wanneer zij die wetenschap voldoende met elkaar delen. Dat is niet het geval, er rust zelfs een politiek taboe op, en dus moet de vraag onbeantwoord blijven waar Europa ophoudt.

Zwaar weegt bij de huidige malaise wat er in de (grote) lidstaten zelf aan de hand is. Om alleszins begrijpelijke redenen staan grote groepen kiezers afwerend tegen sociaal-economische veranderingen. Mensen hebben zekerheden en welstand opgebouwd en eisen van hun regeringen het behoud ervan. Van die regeringen wordt verwacht dat zij een dam opwerpen tegen een buitenwereld die in een razendsnel tempo dingen dreigt af te dwingen die meer met gevaren dan met kansen worden geassocieerd. En Europa is in dit beeld ook een buitenwereld. De globalisering geldt als bedreigend en vele Europese landen verkeren nog in de fase van de ontkenning: het deugt niet en/of het loopt zo'n vaart niet.

Toen de links-liberale Joe Klein, gezaghebbend Amerikaans commentator van Time een tijdje geleden een reis door Europa had gemaakt, stelde hij verwonderd vast: ,,Hier heb je vijftien kleine, inteeltmaatschappijen, die aan alle genetische calamiteiten lijden – xenofobie, matheid, onstuimig accordeonspel – die uit inteelt voortkomen, oog in oog met de kans op onbeduidendheid in een wereld van massale getallen: een miljard Chinezen, een miljard Indiërs, 300 miljoen Amerikanen die leven alsof ze met z'n drie miljard zijn.''

Weliswaar zijn nu de eerste tekenen van sociaal-economische hervormingen zichtbaar, maar meteen tekent zich het begin af van weer een lange worsteling in elk land met zichzelf, dit keer over immigratie en integratie. Introspectie neemt zo eerder toe dan af en dat ondermijnt wederom `Europa'.

Hiermee samen hangt een obsessieve fixatie op politics of identity.

Waar vroeger het project-Europa kon rekenen op een mengsel van eigenbelang en idealisme – een welbegrepen eigenbelang, zoals dat vaak heette – is elk land in beslag genomen door het bij elkaar houden van de eigen boel. Integratie en inburgering in eigen land – niet in Europa – hebben prioriteit en de betrekkingen met andere landen worden gevat in het vocabulaire van de eigen identiteit. Niet de overeenkomst maar het verschil staat in de politics of identity per definitie centraal. Het effect is verdere machteloosheid als collectief en dat heeft vooral zijn weerslag op het buitenlands beleid waar profilering verleidelijk is en verantwoordelijkheid een grotere kunst.

Een goed slaapmiddel tegen zoveel machteloosheid is anti-Amerikanisme. Niet dat er niet veel kritiek op de Verenigde Staten mogelijk is. Dat is er zeker en het soms onbesuisde unilateralisme van de supermogendheid vraagt dringend om verantwoord tegenwicht. Dat was al zo onder de vaak weifelende president Clinton en dat is nu onder de nooit weifelende Bush nog urgenter. Het zou goed zijn wanneer een Europees buitenlands beleid voor de gewenste balans zou kunnen zorgen, maar niets wijst erop dat de politieke elites van de EU-landen bereid of in staat zijn tot gezamenlijke verantwoordelijkheid en tot het individuele stapje terug dat daarvoor nodig is.

In plaats daarvan is er de veilige vluchtheuvel van de Amerika-kritiek die, net als bij zoveel Arabische landen, niet fungeert als begin van een serieus alternatief, maar slechts als valium.

Het is een breed gedragen, ongenuanceerde, moreel geïnspireerde verwerping van de enige supermogendheid in de wereld en het doet dienst als een soort alibi om de diepe crisis in Europa te ontkennen. In landen als Frankrijk en Duitsland heeft het enige tijd de status van regeringsbeleid gekregen, in vele andere landen is het in de publieke opinie prominent aanwezig en voor politici een factor van betekenis. Voor Frankrijk heeft de vroegere minister van Buitenlandse Zaken, de socialist Hubert Védrine, dit verschijnsel een kwestie van jaloezie genoemd: ,,De Verenigde Staten zijn geworden wat Frankrijk altijd had willen zijn, het universele land.'' Vandaar volgens hem de neurose over Amerika. In de verte doet het denken aan de Nederlandse historicus Kernkamp en zijn analyse van de buitenlands-politieke neurose in Nederland een eeuw geleden: hij noemde dat de prikkelbaarheid van een klein land met een groot verleden.

Dit maakt tegelijk dat alle ambities over een Europese buitenlandse politiek holle frasen blijven. Gemeenschappelijk buitenlands beleid zou mooi zijn en het is eigenlijk ook dringend gewenst, maar het ontbreekt aan elke vorm van samengebald vermogen daartoe. De uitgaven voor defensie zijn onbeduidend, de samenwerking tussen Europese landen op dit gebied heeft – met alle respect voor de vele beleidsdossiers die hierover worden geproduceerd – praktisch geen betekenis en elk begin van een machtsambitie wordt gesmoord in onderlinge verdeeldheid. De minachting die daarvoor in Amerika bestaat, vatte de historicus Walter Russell Mead aardig samen toen hij Europa als nieuw volkslied Imagine van John Lennon aan de hand deed: ,,Nothing to live or die for, and no religion too.''

Ben Knapen is lid van de Nationale Adviesraad Internationale Vraagstukken