Grauwe klauwier

We staan aan de rand van het Deeler Woud op de Veluwe. Nederland is hier 107 meter hoog. Strijkt daar op die uitstekende tak een kleine valk neer? Nee, het is de grauwe klauwier die als volksnaam ook rode tuinvalk heet. De gelijkenis tussen het mannetje van de grauwe klauwier (Lanius collurio) en een valk is groot. Hij houdt van beboste zandgronden en duinen. De haaksnavel geeft deze zangvogel een roofvogelachtige allure. Zijn rug is kastanjebruin opgloeiend tot rood, de heen en weer zwaaiende staart heeft witte randen. Hij gaat in glijvlucht, bidt en jaagt om zijn prooi te verschalken, vaak insecten als bijen en kevers. Die prikt hij vast aan prikkeldraad of de scherpe stekels van doornstruiken. Het bezorgt hem de bijnaam rode wurger. De klauwier moet wel want hij mist, zoals echte roofvogels, de klauwen om een prooi vast te houden. In deze voorjaarstijd zijn de grauwe klauwieren in tal van streken waar te nemen, indien er maar voldoende zanderige, open plekken zijn tussen de bomen. Opvallend is de brede, zwarte oogstreep over de grijze kop. Dat is net een masker en het maakt de klauwier tot een kleine, fraai getekende bandiet onder de zangvogels.

Illustratie: Rein Stuurman

(Zien is kennen!)