Geld tellen

's Nachts om een uur of twee bereikte de trein de grens tussen de twee socialistische broedervolken, van Tsjechoslowakije en Polen. Ik heb het nu over de barre winter van 1984. Alle passagiers eruit, met hun bagage. Daar stonden we met een paar honderd in de rij, in een kale loods uit de tijd van Pilsudski. In het midden brandde een grote potkachel. Die dingen geven wel warmte, maar je voelt het alleen als je in de straling staat. Koud tot op het bot bereikte ik de toonbank van de visitatie. Alles uitpakken! Het is iets waaraan ik nooit zal wennen: mijn hebben en houden uit te stallen voor de ogen van niet alleen de douane maar ook voor die van tientallen wildvreemden. Daarom ga ik ook nooit naar een supermarkt. Alle mensen kunnen zien wat je in je wagentje laadt, en daar hebben ze niets mee te maken.

Aan deze grens liep het alweer goed af. Ik mocht de trein in en omdat het voor slapen te koud was, keek ik naar buiten. Op een parallel spoor stond een lange goederentrein. Op iedere wagon was achter een raampje een biljet geplakt waarop waarschijnlijk de lading vermeld stond. Een beambte was bezig de tekst van die biljetten over te schrijven in een dik boek, terwijl hij door zijn met een kalasjnikov bewapende kameraad werd bewaakt. In Warschau vroeg ik aan een bevriende Pool, die Michel Krolek heette (wat zou er van hem geworden zijn), wat er gebeurde met die dikke boeken waarin alles werd opgeschreven. Hij lachte. ,,Als ze vol zijn worden ze weggegooid.'' Dat leek mij ook het beste. Hoe meer je administreert, hoe groter de chaos. Zo zitten de mensen nu eenmaal in elkaar. Ze zijn niet tegen hun eigen boekhouding opgewassen.

Vorige week ging ik naar Amerika, in een Boeing 777, hypermodern met voor iedere passagier een eigen televisieschermpje, aangebracht in de achterkant van de rug van de stoel van de passagier voor hem. Er is een menu van acht films. Ik koos Casablanca, met Humphrey Bogart en Ingrid Bergman, Claude Rains en Peter Lorre. Wam! Daar was ik op tienduizend meter hoogte van de ene seconde op de andere terug in mijn eigen Jurassic Park, toen ik nog een jonge dinosaurus was. As time goes by... Dan zegt Ingrid: Play it again, Sam. En afgezien daarvan: er wordt wat afgerookt! Als je het met de gezonde maatstaven van nu bekijkt, is het op het pathologische af. In die film zijn zeker duizend sigaretten opgebrand. Voor ik het wist, waren we boven de ijsvelden van Canada. Toen moest ik weer naar buiten kijken. Eindelijk, Long Island, de houten huizen van Howard Beach en de vaste grond van Kennedy Airport.

In Amerika wordt de vreemdeling tweemaal begroet. Eén keer hartelijk, met in grote letters het Welcome en een foto van een lachende president; van Eisenhower tot Clinton. Op dit gebied was Reagan de beste. Ze zijn blij je te zien. Maar nu. Het was me nog niet opgevallen, maar opeens dacht ik: waar is Bush? Misschien heb ik hem over het hoofd gezien. Ik trek nog geen conclusies. De andere begroeting is geladen met wantrouwen. Geen wonder. De meeste mensen willen wel eens Amerika in, ook het gespuis. Om dat te controleren had de ambtenaar van de toelating heel vroeger een dik boek, als dat van Sinterklaas, waarin je stond opgeschreven als je iets op je kerfstok had.

Met het vorderen van de techniek is dat boek vervangen door een computer. Die hebben ze nog. Maar dit jaar is er iets bijgekomen. Als je een visum hebt, moet je ook digitaal je vingerafdrukken laten afnemen en idem een foto laten maken. Die worden opgeslagen. Hoeveel zullen dat er in een jaar zijn? Geen idee. Maar als je hierna iets doet wat niet mag, ben je er sowieso bij. Hoe? Geen idee. Toen de grensbewaker mij kiekte, moest ik opeens aan dat Poolse grensstation denken. En later vroeg ik me af of ik wel eens een vingerafdruk had moeten afstaan. Ja, toen ik 14 was, voor mijn persoonsbewijs.

Toch, ondanks vingerafdrukken enz. blijft Amerika het beloofde land. Hoe komt dat? Beweerd wordt dat iedereen er rijk kan worden (American Dream). Een enkeling weet hoe dat moet; de meesten niet, net als bij ons. Dan zijn er nog heel veel andere motieven om naar Amerika te gaan. Bij duizenden, tienduizenden willen ze de grens over. Als het lukt, liefst legaal, gebeurt het wonder: ze passen zich aan, snel. Daar heb ik een theorie over. Het komt door het geld.

Meer dan eens heb ik het gezien; ik ben erop gaan letten. De convenience store, zo'n winkeltje waar je alles wat je meteen nodig hebt kunt kopen, kreeg een nieuwe bediende, uit Jordanië, Korea, Tasjkent. Je kocht een reep chocola en een paar aspirientjes, een karton melk, een afwassponsje, bij elkaar 6 dollar 31; betaalde met een biljet van twintig. De nieuweling deed alles in een zak, maar zo razendsnel, alsof hij zijn hele leven niets anders had gedaan. Dan het wisselgeld uit de kassa gerukt. Voor je ogen telde hij je het geld voor, zelfde tempo, maakte van het bundeltje biljetten een gootje, voor de munten, en voor je het wist had je je hand opgehouden. Alles in orde. Zo is het nog.

Alle immigranten leren het eerst hoe ze als een geboren Amerikaan het geld moeten tellen. Dat is het allerbelangrijkst. Als ze die kunst eenmaal verstaan, komt het Engels spreken vanzelf. Er is geen muntsoort ter wereld waardoor je zo snel een vreemde taal leert spreken als de dollar. En verder heeft het gemeentebestuur van New York er geen bezwaar tegen als de openbare telefoonhokjes in Chinatown een pagode-achtig dakje hebben. Als je je wisselgeld maar zo snel mogelijk terugkrijgt.