Doe uw kind niet tekort, geef het grenzen

`Keuzevakken', heet dat bij ons op school. Het is een periode in het schooljaar waarin ouders drie woensdagen achtereen alternatieve lessen geven. De ouders verzinnen vakken, kinderen kunnen zich inschrijven. Ik had zelf iets willen bedenken, maar was daar niet aan toegekomen, en bleek toen ingedeeld te zijn bij `museumbezoek'. Ook leuk.

Dus gaan een collega-ouder en ik met drie kleuters van vijf naar het Amsterdams Historisch Museum. Heel geschikt voor kinderen, hadden we bedacht, want er zijn daar veel herkenbare voorwerpen in de vitrines, overal knopjes om op te drukken, en natuurlijk veel mooie verhalen over stoere zeelieden.

We moeten de kinderen – ik zal ze in stijl met het museum Jan, Piet-Joris en Corneel noemen – eerst vinden op het drukke schoolplein. Al gauw hebben we Jan en Corneel gevonden, en weldra ook Piet-Joris, maar dan is Jan weer weg. En later is Corneel er weer niet, en daarna is Piet-Joris een paar minuten lang niet te vinden omdat hij naar de WC is gegaan zonder het ons eerst even te vertellen. Meteen al tijd voor een korte speech: ,,jongens, jullie moeten bij ons blijven en luisteren, want we kunnen natuurlijk niet hebben dat we jullie vandaag midden in Amsterdam kwijt raken. OK?'' Drie hele grote grijnzen, die hebben er duidelijk zin in vandaag.

Terwijl we bij het museum onze fietsen op slot zetten, stormen de jongens onmiddellijk naar binnen. Gauw erachteraan, maar het valt mee, ze zijn tikkertje aan het spelen op de binnenplaats. ,,Moeten we ze niet gewoon hier houden en lekker laten rennen?'', vraagt collega-ouder zich af. Toch maar naar binnen, kaartje kopen. Weer even niet opgelet, en jawel, daar zijn er twee in de eerste zaal op de gigantische schuinstaande glasplaat met een kaart van de stad geklommen, terwijl de derde nergens meer te bekennen is. ,,Jongens, kom daar eens af! Jongens, kom daar eens af? Hé, kom eraf.'' Ik pak ze tenslotte bij hun jas en trek ze naar beneden. ,,Luister mannen, ik hoef toch niet alles vier keer tegen jullie te zeggen, daar heb ik helemaal geen zin in. En waar is Piet-Joris?'' De grijnzen zijn nóg groter geworden, die kinderen hebben de dag van hun leven, zo te zien.

We gaan eerst jassen uittrekken, en daar vinden we ook Piet-Joris, die in de kapstok aan het klimmen is. Goed idee, vinden de anderen. Collega-ouder en ik beginnen al behoorlijk balorig te worden, en we moeten nog anderhalf uur. ,,Volgende week gaan we met ze naar de speeltuin, kunnen zij klimmen, gaan wij lekker op een bankje zitten.''

We nemen ze mee naar vitrines met bodemvondsten; schoentjes, juwelen, bekers. Collega-ouder legt uit: ,,hebben ze allemaal in de grond gevonden. Dan gaan ze bijvoorbeeld na waar heel lang geleden een markt was, en dan daar zoeken naar dingen die zijn blijven liggen''. Corneel tikt grijnzend tegen de vitrine. ,,Deze ruit hebben ze ook onder de grond gevonden.'' Wat een klerelijers zijn het toch. Collega-ouder en ik zijn het eens, onze eigen kinderen zijn leuker, want beter opgevoed. Dit is een stelletje aandachtverslaafden. Ze blijven voortdurend bezig met óns op de proef stellen en willen niets weten van het gebodene. Ja, heel soms staan ze opeens naar iets te kijken wat ze interesseert, en dan zíe ik dat ze zich na een paar seconden bedenken: `o nee, hiervoor ben ik niet naar het museum gekomen, ik moet weglopen, schilderijen aanraken, tikkertje spelen of ergens opklimmen waar je niet op mag klimmen'.

En ik weet ook hoe kinderen zo worden: dat komt door van die ouders die denken dat ze hun kinderen enorm verdriet zullen doen door een keer `nee' te zeggen. Een vriend van mij liep na school een stukje op met een collega-moeder, wier kind de hele tijd probeerde de straat op te rennen, en steeds weer door ma moest worden teruggehaald, keer op keer op keer. De moeder zei: ,,hij probeert de laatste tijd wel erg de grenzen op te zoeken''. En toen antwoordde mijn vriend: ,,doe je kind niet zo tekort; gééf ze dan ook, die grenzen''. Wat een held. Als hij het inderdaad gezegd heeft, en niet alleen gedacht. Want je moet nog acht jaar met ze verder, de ouders van de klas.

Door niet aan te geven waar de grenzen liggen doe je kinderen geen plezier; ze komen in een soort vacuüm terecht. Als er geen grenzen zijn, is er geen `fout',maar dus ook geen `goed' – in feite negeer je het gedrag van het kind. En omdat het best weet dat er heus wel grenzen zijn, dwingt het kind met extreem gedrag aandacht af. Aandacht die veel natuurlijker en prettiger tot stand komt, als het kind weet wat `goed' is, en dus kan kiezen voor een compliment. En trouwens, als iets wat normaal niet mag, voor een keertje wél mag, is dat een groot feest. Als je daarentegen altijd krijgt wat je vraagt, wordt alles grauw. Zo, daar kunnen jullie het mee doen, ouders van Nederland – of hadden wij gewoon niet met kinderen van vijf naar een museum moeten gaan? Daar zit ook wel wat in, eerlijk gezegd.

Intussen zijn we na het carillon (,,ja, nu heb je genoeg lawaai met die klokken gemaakt, kom naar beneden Piet-Joris!'') bij de WC aangekomen. Ze gaan alledrie naar binnen en draaien de deur op slot. Groot lawaai achter de deur. Wij kijken elkaar aan. ,,We kunnen er nu vandoor! We doen het!''

Tien minuten later komen ze de WC uit. Wij staan er natuurlijk nog; het is tijd om de jassen aan te trekken en terug naar school te gaan. Piet-Joris en Corneel schieten in hun jas en schieten weg. Wij nemen ieder een andere uitgang, en even later kan ik per mobiele telefoon melden dat ik de heren bij de fietsen heb aangetroffen. Terug op het schoolplein overleggen we wat we volgende week gaan doen. We komen uit op het martelmuseum. ,,Misschien dringt het dan een beetje tot ze door.''