De staat, het volk en de dialoog

Premier Balkenende vindt dat China grote vooruitgang heeft geboekt in het respecteren van de rechten van de mens, zo zei hij deze week tijdens een bezoek aan het land. Het wapenembargo tegen China lijkt zijn langste tijd te hebben gehad. Maar zijn de mensenrechten wel verbeterd? Twee praktijkvoorbeelden en een rondgang langs China-kenners.

Enkele jaren geleden ging het in China zo: kwam er een hoogwaardigheidsbekleder uit Europa op bezoek, dan klikte die respectvol met de hakken, praatte kort over een lijstje dissidenten en de situatie in Tibet en Taiwan, om daarna over te gaan tot de reden van de komst, te weten handel.

Maar de tijden zijn veranderd. Met het groeien van de Chinese economie is de kritiek verstomd. Op China is best wat aan te merken, erkennen kritische politici, maar praten over mensenrechten is riskant en kost geld. Peking heeft immers meer dan eens laten zien wat het met `drammende betweters' uit het buitenland doet: die lopen lucratieve contracten mis.

Om die reden luidt het adagium van de afgelopen jaren: dialoog. Dialoog zonder druk en confrontatie, met wederzijds respect, veel vriendelijkheid en vooral: achter gesloten deuren. Dat is wat China van zijn handelspartners eist, en dat is wat het land van hen krijgt. Het is de diplomatieke tactiek waarvan ook de Nederlandse regering zich bedient. Het wapenembargo dat China kreeg opgelegd na de bloedig neergeslagen studentenprotesten in 1989 draagt niet langer bij tot een verbetering van de mensenrechtensituatie in China, weet Den Haag (in navolging van de andere EU-lidstaten).

Doorwrochte bewijzen voor die conclusie zijn er amper. Maar premier Balkenende en minister Bot van Buitenlandse Zaken toonden zich deze week bij een driedaags bezoek aan China onder de indruk van de openheid waarmee met de regering over de mensenrechten te praten viel. ,,We zijn er natuurlijk nog lang niet, maar er is een weg ingeslagen die perspectieven biedt'', aldus de premier tegen meereizende Nederlandse journalisten.

,,Ze hebben die wapens eigenlijk niet nodig, maar ze zien het opheffen van het embargo vooral als een politieke geste'', zei minister Bot over het Chinese standpunt. En Balkenende heeft premier Wen Jiabao laten weten dat Nederland niet als enige land het schrappen van het embargo zal blokkeren. Dat, zo lijkt Nederland te concluderen, heeft China verdiend, in tegenstelling tot de Verenigde Staten die tegen opheffing van het embargo zijn. Bot heeft er eerder al op gewezen dat China de laatse jaren op verschillende punten zijn goede wil heeft getoond. De recente toevoeging aan de Chinese grondwet dat de staat mensenrechten erkent en beschermt en privé-eigendom erkent is volgens velen een teken dat het China ernst is.

Vergeten geweten

Maar is dat werkelijk zo? Hebben Europese regeringen voldoende kijk op wat in China gebeurt? Doorgronden zij in hun bilaterale overleg de diepere bedoelingen van de communistische partij?

Het weggestopte geweten van het buitenlandse China-beleid huist op de drieëndertigste verdieping van het Empire State Building in New York. Daar, hoog boven het kloppend hart van de machtigste natie ter wereld, zit Sharon Hom achter de knoppen van een organisatie die vlak na de opstand in 1989 nog veel compassie opriep in het Westen, maar nu door veel mensen is vergeten.

Human Rights in China (HRiC) werd geboren als een vluchtelingenorganisatie, die door Peking gezochte leiders van de studentenbeweging uit 1989 het land uitsmokkelde en toegang verschafte tot de Nieuwe Wereld. In New York kwamen ze bijeen om onder leiding van dezelfde beweging een plan te maken voor `China ná de val'. Maar anders dan op veel plaatsen elders in de wereld bleef de ondergang van het communisme in China uit. De brede dissidentenbeweging verdampte binnen vijf jaar door ruzie over tactiek, strategie en ego's, en HRiC, dat als een van de weinige organisaties de storm had overleefd, was een illusie armer.

Het was in 2000 dat directeur Hom het gevoel kreeg dat haar organisatie geen enkele invloed meer had op de ontwikkelingen in China. ,,Noch in het land zelf, noch op het beleid ten aanzien van China'', zegt Hom. Ze is een bevlogen jurist uit Hongkong, en gaf veertien jaar onderricht aan rechters en advocaten in China. ,,De wereld is alleen gericht op de macro-economische ontwikkelingen in dat land, terwijl de kloof tussen rijk en arm steeds groter wordt'', zegt Hom. De Chinese economie groeit en bloeit, vorig jaar met negen procent, maar de grote massa, de ruim 800 miljoen boeren, profiteert amper.

Op de vraag of de Chinezen het op mensenrechtengebied de afgelopen jaren beter hebben gekregen, antwoordt Hom eenduidig ,,nee''. ,,Het gaat niet beter, want er is geen het. Natuurlijk, er is vooruitgang, maar het individu, grote groepen mensen wordt deelname aan die vooruitgang ontzegd.'' Het grootste probleem in China, zegt Hom, is de groeiende scheiding tussen stad en platteland, tussen stedelingen en boeren, tussen de mensen met geld en macht en de mensen met een lege beurs en zonder invloed. ,,Er is sprake van een omvangrijk, instabiel en oneerlijk onderscheid tussen de machtige minderheid die wel vaart bij het rauwe kapitalisme en de afwezigheid van regels en de massale meerderheid.''

En alle politici, ondernemers en economen die roepen dat China vooruitgang heeft geboekt en stabieler is geworden, die heeft Hom het volgende te zeggen: ,,Een land met 1,3 miljard inwoners, waar honderden miljoenen mensen geen mogelijkheid van bestaan hebben, dat is geen stabiliteit.''

Ook over het nut van een dialoog, zoals Europa nu voorstaat, is de organisatie van Hom uitgesproken negatief. ,,Er wordt gepraat, inderdaad, maar er is absoluut geen referentiekader, geen norm. Hoe lang kun je in een sfeer van zogenaamd wederzijds respect praten over armoede, de beperkte rechten van migrantenboeren op vestiging en werk en de afwezigheid van vrije informatieverstrekking zonder dat je concrete verbetering eist?''

Het is bekende kritiek. Niemand weet precies wat zes jaar Europese dialoog heeft opgeleverd. Zo is een mensenrechtenorganisatie als Amnesty International ervan overtuigd dat China de Europese Unie in de tang heeft door aan te blijven dringen op wederzijds respect. Een voorbeeld. Peking verdedigt opsluiting en executie (tachtig procent van alle executies ter wereld hebben in China plaats en volgens een lid van het Chinese Volkscongres vorige maand zijn het er tienduizend per jaar) met als argument dat die nodig zijn voor het behoud van stabiliteit. De Europese Unie onthoudt zich van directe kritiek ja, uit wederzijds respect.

Met dezelfde truc heeft China verschillende mensenrechtenverdragen ondertekend, zegt Hom, maar met gebruikmaking van het meegeleverde recht op `voorbehoud'. Op die manier kunnen de communistische leiders zich blijven bedienen van structurele onrechtmatigheden, zoals het verbod op het vormen van vakbonden of kerkgemeenschappen, zonder dat dat veel kritiek oplevert. Binnen de internationale gemeenschap weegt vooral het belang dat Peking überhaupt een verdrag heeft getekend dat eventueel in een later stadium kan worden afgedwongen. Ook het opnemen van `de bescherming van de mensenrechten' in de Chinese grondwet, zoals het Volkscongres vorige maand heeft gedaan, is naast het Mao Zedong-denken en de Deng Xiaoping-theorie, voorlopig meer vorm dan inhoud. ,,Het probleem is dat een land als China het spel steeds beter heeft leren spelen zonder dat de mensenrechten er noodzakelijkerwijs op vooruit zijn gegaan'', zegt Hom.

Het volk

Dialoog of kritiek, Kenneth Lieberthal gelooft dat geen van beide veel uithalen. De deskundige op het gebied van de Amerikaans-Chinese betrekkingen aan de Universiteit van Michigan en adviseur onder president Clinton ziet weinig heil in politieke druk of beïnvloeding van buitenaf. ,,De mensenrechtensituatie is complex, maar wordt geleidelijk aan beter. Het is een onomkeerbaar proces. De regering is niet langer revolutionair, de invloed van de staat [op de economie en het openbare leven] neemt af, de publieke opinie krijgt meer zeggingskracht [de pers is onafhankelijker geworden]. Daar heeft het buitenland amper invloed op gehad.'' China, zegt Lieberthal, verandert hoe dan ook. ,,Verandering kun je nu eenmaal niet van buitenaf opleggen.''

Elizabeth Rosenthal, zes jaar lang correspondent van The New York Times in China en sinds enkele maanden terug in New York, denkt er ook zo over. ,,China verandert ondanks zichzelf. China verandert omdat het klaar is voor verandering.'' En dat is niet de verdienste van het buitenland. Sterker nog, Rosenthal gelooft zelfs niet dat het te danken is aan de Chinese regering. ,,Het is het volk en niets anders dan het volk. Dat heeft behoefte aan verandering en eist nieuwe rechten op. Tegen die kracht is geen partijbureaucraat opgewassen.''

Hoe ingrijpend de veranderingen op dit moment precies zijn, daar is Rosenthal aanmerkelijk minder zeker van. Haar jaren in China hebben haar voorzichtiger gemaakt en de eenzijdige typeringen van China die het Westen zo geregeld geeft, zijn haar volkomen vreemd. ,,Het is moeilijk te bepalen of de veranderingen die China nu ondergaat kosmetisch of essentieel zijn.'' Wat te denken van de oproep van de Chinese regering voor gelijke rechten voor boeren, de aanpak van corruptie, het afstraffen van misbruik binnen het politieapparaat of de geleidelijke verlaging van belasting voor de straatarme boeren? ,,Ik weet het niet. Veel journalisten zeggen dat China de afgelopen twee jaar zoveel minder waakzaam is geworden. Er kan veel meer, er wordt gepraat over hervormingen, privé-ondernemers hebben rechten gekregen. Maar misschien betekent die ogenschijnlijke achteloosheid wel dat China er beter in is geworden de zaken onder de duim te houden.''

Middenklasse

Er is duidelijk sprake van een trend onder de China-deskundigen. Oproepen voor zachte maar nadrukkelijke dwang van buitenaf, die China uiteindelijk in de richting van de democratie zouden kunnen duwen, zijn nagenoeg verstomd. Alsof steeds meer mensen ervan doordrongen zijn geraakt dat het partijkader voor niets en niemand, behalve zichzelf, ontvankelijk is. Daarom is de hoop van de deskundigen gevestigd op de beweging van binnenuit, waarbij de Chinese burgers zelf rechten opeisen, hoe ongedefinieerd ook.

Andrew Nathan, politicoloog en China-deskundige aan Columbia University in New York, die bekend werd met zijn boek The Tiananmen Papers, is er niet gerust op dat die politieke veranderingen vanzelf komen. ,,Ik ben pessimistisch. Ik heb de indruk dat het communistische partijbestuur een manier heeft gevonden om zichzelf acceptabel te maken bij de middenklasse'', zegt hij. Geld verdienen mag, privé-bezit geniet meer bescherming dan ooit tevoren, ondernemers krijgen meer aanzien en kapitalisten mogen sinds een jaar zelfs lid worden van de communistische partij. ,,Maar ik zie die nieuwe elite van ondernemers in de nabije toekomst niet aandringen op fundamentele politieke verandering.'' De partij blijft de dienst uitmaken en enig democratisch tegenwicht wordt resoluut de kop ingedrukt.

Dat alles neemt niet weg dat Nathan, die in het bestuur zit van de mensenrechtenorganistatie Human Rights Watch, wel vooruitgang ziet in China. ,,Mijn eerste reis naar Azië was in 1960. Plekken als Hongkong, Taiwan en Japan waren nog betrekkelijk arm. Het is fantastisch om te zien hoe welvarend die plaatsen zijn geworden. Mijn eerste reis over het Chinese vasteland was in 1973 en ook daar is het indrukwekkend om te zien hoeveel beter de mensen het hebben gekregen. Economische groei is goed, omdat het mensen een hogere levensstandaard biedt en een middenklasse laat ontstaan. Dat levert vervolgens ook een middenklasse-manier van leven, denken en praten op. Dat zijn grote veranderingen'', erkent hij. ,,Maar het is niet gezegd dat zulke veranderingen automatisch meer democratie opleveren.''

Het is een heikel punt. De meeste ondernemers en politici gaan er gemakshalve van uit dat economische bloei resulteert in meer politieke vrijheid. De toenadering tussen China en de Verenigde Staten in de jaren negentig was op dit idee gebaseerd. De Amerikaanse president Clinton was er heilig van overtuigd dat economische samenwerking goed was voor democratische vooruitgang. En vanuit die gedachte zijn in de jaren negentig de meeste obstakels voor handel met China, die Peking sinds het bloedbad rond het Plein van de Hemelse Vrede door verschillende landen waren opgelegd, een voor een opgeheven.

,,Maar de invloed van de economie op de politiek is nooit bewezen'', zegt Sharon Hom. De suggestie maakt haar iedere keer weer razend. ,,China drijft handel om aan de armoede te ontsnappen. Voor Peking is de economische openheid pure noodzaak. Een vorm van zelfbehoud. Maar materiële rijkdom is geen oplossing voor alle dingen.'' Politieke verandering staat voor een belangrijk deel op zichzelf, zegt Hom. ,,Daar is wil voor nodig en die ontbreekt te allen tijde bij het partijbestuur.''

Kenneth Lieberthal is het vurig met Hom oneens. ,,Het effect van de economische ontwikkeling op de politiek is juist enorm groot'', zegt hij. ,,Dat heeft niets te maken met een of ander Amerikaans of westers model, maar wordt veroorzaakt door de grotere internationale betrokkenheid van China. De huidige economische explosie zou ook onmogelijk zijn geweest als China politiek niet veranderd was. De gestage terugtrekking van de partij uit het publieke leven spreekt boekdelen.''

,,Misschien'', zegt Times-correspondent Elizabeth Rosenthal ,,begin je in dingen te geloven, als je ze maar vaak genoeg zegt.'' Mantra's worden waarheid. Want wat zeker is, is dat China er in de loop der jaren veel beter in is geworden om op geloofwaardige wijze in de publiciteit te treden. ,,Ze verwoorden het beter, praten over omstreden kwesties als mensenrechten en democratie. Wie weet dat het er dan op een goede dag ook van komt.'' Positiever kan Rosenthal het niet maken.