De Grijsaard met de Scheve Mijter vertolkt de macht van de zwakheid

Waarom treedt de paus niet af, vragen velen zich af die de oude, gebogen, bevende man aan het werk zien. Mag hij niet van de kerk? Heeft hij er een bedoeling mee? Hoe moeten, of kunnen, we de aanstootgevende ouderdom van Johannes Paulus II zien?

Van de vele kwesties waarmee Johannes Paulus II de wereld heeft opgezadeld tijdens zijn lange, dramatische pontificaat, is zijn laatste misschien niet de brandendste, maar wel de aangrijpendste. Waarom treedt hij niet af? Waarom laat hij toe dat de kerk het aanzien krijgt van een harteloos gerund verpleeghuis dat er geen been in ziet om een uitgewoonde, opgebruikte man voor haar santenkraam te laten opdraven?

In het kerkelijk recht (artikel 332) is voorzien in een aftredende paus. In Polen schijnt er een klooster te zijn dat hem zielsgraag in zijn laatste levensdagen zou opnemen. Iedereen zou het begrijpen, het Vaticaan zou op de valreep een menselijk gezicht tonen door hem te laten gaan. Vermoedelijk is ook hier de wens de vader van een andere gedachte: velen vinden dat de kerk aan een reeks omwentelingen toe is (als het niet al te laat is). Gehoopt wordt, tegen een ostentatief beter weten in, dat de eerstvolgende witte rook het begin is van een versnelde aanpassing van het instituut aan de tijdgeest. De Grijsaard met de Scheve Mijter is een al te evident symbool voor uitgewoonde achterlijkheid. Want dat is voor velen het aanzien van de moederkerk: leeggebloed, ontvolkt, verzwakt door decennia oude seksuele schandalen, tandeloos.

Ik vrees dat het me niet gaat lukken om de kerk waarin ik vijf jaar geleden bij vol bewustzijn ben opgenomen, alsnog af te schilderen als een effectief gerunde, aan de geest des tijds aangepaste organisatie waar een kekke, alles op orde denkende leer wordt verkondigd, die mij groot, praktisch nut heeft opgeleverd. Oude mensen, kleurloze gezangen, een liturgie waar de tover van het Latijn uit verdwenen was, een moeilijk te verwarmen kerkje dat schoongehouden wordt door zeventigjarigen.

Alles wat aan krachtig, maatschappelijk relevant geloof herinnert is, zeker in het rijke Noorden, onherroepelijk verdampt. Dit wist ik, maar ik wist ook dat ik in een tijd van triomferend en zelfverzekerd katholicisme, met een farizeische sociale controle, mijn stap naar het doopvont misschien wel tot in het oneindige zou hebben uitgesteld. Als ik eerlijk ben, dan moet ik toegeven dat juist het ogenschijnlijk zo deplorabele mij een handje heeft geholpen. Op een of andere manier boezemde het me ontzag in, dit leeggelopen huis. Dus deze oude mensen in deze krakkemikkige gebouwen hebben het strovuurtje van het geloof brandend gehouden, dacht ik. Het moet een vreemde kracht bezitten, als het onder zulke karige omstandigheden overleeft. Na mijn doop heb ik deze strovuurtjesgelovigen leren bewonderen, ongeveer zoals Odysseus na zijn tocht Penelope. Zoveel vrijers, en toch is het bed er nog.

Wie de paus half bezwijkend zijn voorgeschreven gebaren ziet maken achter de wijde altaren van het Vaticaan, ontkomt er niet aan zich af te vragen welk doel hij dient. Want dat er iets gediend wordt, is duidelijk. Het is moeilijk om te verhapstukken – maar de paus is in dienst. Misschien is dat ook exact het aanstootgevende. In ons deel van de wereld worden de zeer ouden weggestopt en verzorgd. We hopen dat ze bediend worden, en hebben daar veel geld en bestuurlijk vernuft voor over.

Welbeschouwd hebben we geen idee waaraan afgetakelden zelf nog dienstbaar zouden kunnen zijn. Hun overtolligheid is een martelend probleem. Ze hoeven toch niets meer? Zelfs wanneer je de wakkerste bejaarden hun geestelijke vermogens volop tentoon ziet spreiden, zoals onlangs nog op de televisie columnisten als Fens en Kousbroek, dan nog kun je denken: ze zijn aan welverdiende rust toe. Ze hoeven binnenkort niet meer. Dat is een niet te harden vooruitzicht voor iedereen die in vooruitgang gelooft als iets wat alle problemen moet oplossen – dat het allemaal eindigt met overtolligheid. Met `ik hoef niet meer, eens'.

Kennelijk wordt de paus gedreven door een besef dat hem de ouderdom heel anders doet opvatten. Welk denkbeeld kan zo vervullend zijn dat een eens zo vitale, krachtige man als Karol Wojtyla er de dienaar van wil blijven, terwijl hij zelfs het stadium van kras oudje dat zonder bril uit Dante kan citeren ver voorbij is?

Iedereen kent of vermoedt het antwoord, en toch is het van belang om het steeds weer in eigen woorden weer te geven. De dienst waar het om draait is die van de incarnatie.

De incarnatie, ook wel: menswording, is het besef dat God, die we niet kunnen kennen, eens een mens is geworden, en vervolgens, na nog geen drie jaar gepredikt en mensen genezen te hebben, als zondebok afgemaakt is.

Alleen als je aanvaardt dat God in Jezus mens geworden is, en dat hij zich verlaagd heeft tot de meest radicale dienstbaarheid, heeft het verhaal betekenis. Aanvaard je dat niet, dan is het Paasmysterie het zoveelste bewijs van de volmaakte Houellebeqse onverschilligheid van het universum. Hoe je het ook navertelt, het Paasverhaal is óf te kloppend, en dus onbeduidend (er zijn miljoenen mensen als zondebok afgeslacht, zonder dat er een haan naar kraaide), óf het is te ongerijmd, want wonderlijk, en dus ongelooflijk.

En altijd weer loopt de naverteller vast in het feit dat God, in Zijn hoedanigheid van Jezus, tijdens zijn leven niemand, maar dan ook niemand, werkelijk heeft weten te overtuigen van zijn goddelijkheid.

Wat een peuleschil zou moeten zijn voor een beetje Almachtige – zichzelf zo presenteren dat iedereen op slag overtuigd is van Zijn bestaan – was Zijn zoon ten enenmale niet gegeven. Toen het er op aan kwam, vlogen zijn liefste leerlingen loochenend alle kanten uit. En toen hij desondanks volhield dat hij Gods wil vervulde door de dienstknecht der dienstknechten te worden, werd hij voorwerp van een niet te stuiten collectieve razernij. Nog nooit in de geschiedenis der wereldreligies is iemand zo onovertuigend geweest als Christus.

En dat is Hij nog steeds.

Ik kan het niet bewijzen, maar afgaande op hoe mijn eigen, stapsgewijze kennismaking met de incarnatie zich heeft toegedragen, moet ik concluderen dat geloof in menswording daar ontstaat waar je tanden beginnen te klapperen van ongeloof. Als ik eerlijk ben, moet ik bekennen dat ik nooit heb kunnen geloven dat een mens op het moment dat hij zo ongeveer levend gevild wordt, zijn villers vergeeft. Het enige wat ik weet is dat ik op zekere dag, toen ik een Kruiswegstatie meemaakte waarbij op een tamelijk klunzige manier op een rituele wijze de Passie werd nagespeeld, het onverhoeds te kwaad kreeg, toen ik de woorden ,,vergeef ze, want ze weten niet wat ze doen'' hoorde.

Ik denk dat ik nog nooit met zoveel kracht iets niet heb kunnen geloven als toen, op die Goede Vrijdag, deze woorden. Er is geen mens, dacht ik, die zoiets gezegd kan hebben. En intussen biggelden mijn tranen.

Deze woorden moesten gezegd zijn. Maar geen mens – dat geloofde ik vast – kon ze gezegd hebben.

Ik ben nog altijd oneindig dankbaar voor de volgende stap die mijn bewustzijn nam: als het geen mens is geweest, dan was het God.

Vervolgens vroeg ik me af wat zovele heidenen zich voor mij afgevraagd moeten hebben: waar moet ik zijn om mijn kersverse ongeloof beter te begrijpen?

Natuurlijk moest ik om te beginnen bij de Mis zijn – de cultus waar de Kruisweg een onderdeel van is, en die om zo te zeggen gebouwd is rond de herinnering aan de Paastijd, toen God werd vermoord en weer verrees. En waar ik woonde werd deze Mis nu eenmaal opgedragen in een kerkje zonder glamour, wervingskracht, aantrekkelijkheid, aangepastheid. En wat ik daar meemaakte, was om te beginnen dat de heiligste onderdelen van de godsdienstoefening, de sacramenten, gering zijn. Gods aanwezigheid vergt het dunste plakje brood, zoals hij tweeduizend jaar geleden de geringste gekruisigde vergde.

Kort na mijn doop zag ik Tarkowski's film Nostalghia. Die eindigt met een man van (toen) mijn leeftijd die aan een stervende belooft een kaars aan te steken in het bassin van een drooggevallen kuuroord – en met dat kaarsje van het ene eind van het bassin naar het andere te lopen, zonder het uit te laten waaien. Godweet hoe lang de opnames hebben geduurd – maar we krijgen het te zien, in een enkele eindeloze camera-instelling, de midlifecrisisman die voorzichtig naar de overkant strompelt, terwijl er een stevig briesje waait.

Geen idee of de paus Nostalghia kent. Gezien zijn culturele achtergrond en nieuwsgierigheid (zie Andreas Englisch' prachtige en dikwijls intieme boek Het geheim van Karel Wojtyla), neem ik aan van wel. Voor mij geldt dat hij mij juist de afgelopen jaren, door niet af te treden, het Tarkowski-beeld steeds meer op waarde heeft doen schatten.

Het is geen attractief geloof, dat in de menswording, en het kan dat ook niet zijn. Juist de pogingen om Jezus te normaliseren, door het ongelooflijke uit zijn christelijke leer weg te denken of metaforisch op te vatten (de goddelijkheid van Jezus, de wederopstanding), hebben het de afgelopen decennia steeds moeilijker gemaakt om het menselijke van het Passieverhaal te begrijpen. Als je probeert te beseffen dat het 'smensens instinct is om God, in diens hoedanigheid van een ongewapende, de andere wang toekerende man van drieëndertig, uit te willen wissen – dan hang je een mensbeeld aan dat haaks staat op het optimistische zelfbeschikkingsideaal van alle twintigste-eeuwse ideologieën. Maar ook met het sceptische mensbeeld van het overgrote deel van de anti-ideologische intelligentsia staat deze leer op gespannen voet. Want hoe zwart het in de harten van mensen ook toegaat – toch beweert het christendom dat God zijn leven gegeven heeft, en wel voor deze zelfde mensen. Als mens heeft God dit offer weten te volbrengen – en altijd zullen we blijven voelen dat we tot deze vervulling in staat zouden moeten zijn. Het is een ondenkbare gedachte, die niet meer ongedacht kan worden. Het is geen gedachte, maar een besef, niet te beseffen. Daarom is het voor elke beseffer afzonderlijk misschien ook minder een leer dan een weg.

Uiteindelijk is het ook een paradoxale weg, want dit geloof in de geringe, onbegrijpelijk makkelijk te doden God, moet sterk, bijna onmenselijk sterk zijn wil het de komende epoche van religieuze/antireligieuze omwenteling en agonie overleven. Deze opgave is daarom zo heikel, omdat het enige echte wapen waarover een gelovende beschikt het gebed is. Bovendien heeft het christendom het kwetstbaarst denkbare (want met geen machtswoord of -middel afdwingbare) – de vergeving – in het hart van zijn cultus ingeweven, en heeft het om te beginnen met lege handen willen staan. God was een ongewapende, biddende, altijd maar biddende man, vol van een onbegrijpelijk vertrouwen, brandend van verlangen om niet degene te zijn die haat en wreekt.

De aftakeling is iets dat niemand bespaard wordt, alle levensverzekeringreclamespotjes ten spijt. Toch lijkt de paus met zijn aanblijven niet te beweren dat hij een overwinning aan het boeken is op zijn ouderdom. Er is iets anders gaande: met zijn wankele, aanstootgevende ouderdom (die hij niet gezocht heeft, maar simpelweg ondervonden) vertolkt en leeft hij de weg van de lege handen. Hij was gedurende de eerste twintig jaar van zijn pontificaat boven alles de mannetjesputtende kracht die een koppig en soms effectief `nee' riep tegen superkrachten als communisme, hedonisme, liberalisme. Hij werd ,,de Marathon man van God'' genoemd. Hij heeft meer dan honderd landen bezocht. Maar sinds de befaamde Biecht van de kerk, in 2000, en sinds zijn bezoek aan de Klaagmuur, draagt hij zijn ouderdom, zo komt het me voor, als een teken. Vooral bij dat laatste bezoek lijkt deze verandering zichtbaar geworden te zijn – toen hij de kerk voor het eerst letterlijk door de knieën liet gaan om vergeving te vragen. (,,Te laat'' zeggen velen, ,,te summier'' – en toch: wie denkt dit gebaar ooit nog ongedaan?). Andreas Englisch schrijft in zijn pausboek: ,,Die dag veranderde voor mij iets fundamenteels: sindsdien geloof ik niemand meer die de paus geheel en al veroordeelt, zoals ik zelf ooit heb gedaan.'' En daarna, schrijft hij, ,,zag ik niets wat de paus nog kon doen en wat nog van betekenis kon zijn. Ik zag vanaf deze dag de langzame aftakeling van de paus voor me.''

Maar de paus is niet afgetreden. Hij besloot te zijn wat hij geworden was: een toonbeeld van overtolligheid. En zijn aftakeling is zijn betekenis geworden, zijn finale daad. Hij heeft zijn verzwakking op zich genomen, en belichaamt daarmee dat waar het christendom mee begonnen is. Hoe groot, rijk en vorstelijk de kerk ook is – soms wordt zij geleid door een mens. Het woord `geleid' is niet van toepassing, welbeschouwd. Hij staat met lege handen, deze paus.

Voor mij is dat het aangrijpende en overtuigende, en werkelijk eerbiedwaardige van zijn aanblijven. Johannes Paulus belichaamt de macht van de zwakheid – de enige macht die we in de maalstroom van geweld en tegengeweld zonder eerverlies kunnen mobiliseren, en die de kerk, na zoveel triomfalisme, zo zwak en dienstbaar zal maken als nodig om geloofwaardig te zijn. Niemand is overtollig, zelfs God was dat niet toen Hij stierf.

Willem Jan Otten is schrijver, dichter en essayist. Hij liet zich in 1999 opnemen in de katholieke kerk. Onlangs verscheen van hem de novelle `Specht en zoon'.