Context en betekenis

In `Brein verwerkt context en betekenis van een zin tegelijkertijd' (W&O, 20 maart) wordt nogal wat door elkaar gehaald. Ten eerste is, anders dan Hendrik Spiering stelt, de pragmatiek, het vak dat kijkt naar hoe taaluitingen in hun context functioneren niet ``weinig bekend'' en de semantiek, de leer van de (veelal logische) betekenis van taaluitingen niet ``dominant'', waarmee hij suggereert dat pragmatische underdogs lijden onder onbuigzaam heersende semantici. Pragmatiek is als eigenstandig aandachtsgebied domweg veel jonger dan de al duizenden jaren beoefende betekenisleer, en doordat `de context' zo divers en veelomvattend is, dusdanig moeilijk grijpbaar dat nog maar weinigen erin geslaagd zijn er iets diepgaands over te zeggen.

Het hoofdpunt van het artikel is dat pragmatiek en semantiek in de taalkunde strikt gescheiden gehouden zouden worden, maar dat dat fout is, omdat onderzoekers van het Nijmeegse F.C. Donderscentre for Cognitive Neuroimaging hebben vastgesteld dat semantische en pragmatische aspecten van taaluitingen in echte hersens simultaan verwerkt worden. Het laatste is voor de taalkunde zeker op dit moment irrelevant, het eerste vooral een misverstand, dat doet denken aan het aloude deels onjuiste, deels misplaatste verwijt aan syntactici dat zij bij hun jacht op de vorm van zinnen juist de betekenis zouden verwaarlozen. Geen sprake van, syntactici concentreren zich om praktische redenen op de zinsbouw, semantici op de betekenis en pragmatici op de context. Geen van hen doet daarmee een uitspraak van enig gewicht over de werkelijke organisatie van ons taalvermogen.

Scheiding tussen deelgebieden van een onderzoeksterrein hebben niet zozeer te maken met de werkelijkheid waar de Donders-onderzoekers plaatjes van maken of met principiële opvattingen daarover, maar met wetenschappelijke best practices, die inhouden dat het verstandig is om een onderzoeksterrein zodanig in te perken dat het op zijn minst redelijk te overzien is. Zulke begrenzingen, beter bekend als specialismen, zijn pragmatisch gemotiveerde, theoretische constructies. Degenen die zich eraan houden, werken aan een model, een tot op het bot vereenvoudigde afschaduwing van soms minieme aspecten van werkelijke fenomenen, om zo te komen tot een beter begrip van wat er in de werkelijkheid aan de hand zou kunnen zijn. Goede en goed begrepen modellen van deelverschijnselen helpen om betere, meer omvattende modellen te maken, om (zo blijft de onverbeterlijk optimistische wetenschapper altijd stilletjes hopen) uiteindelijk uit te komen bij de Heilige Graal: een correcte en complete beschrijving van de werkelijkheid. Maar zelfs die ideale beschrijving is niet gelijk aan de werkelijkheid zelf, hij verhoudt zich tot die werkelijkheid zo ongeveer als een kloppend kookboekrecept tot een bord erwtensoep. De (overigens weinig verrassende) `ontdekking' van de Donders-onderzoekers dat we semantische en pragmatische aspecten van uitingen simultaan verwerken, is dan ook net zo relevant voor de taalkunde als roeren in een bord soep is voor het recept ervan.