Caviacontact

DE CORRESPONDENTIE, in omgekeerde chronologie. Vorige week werd, in een stukje over gelaatspsychologie, voorgesteld het dierenrijk te verdelen in aankijkers en langskijkers. De menselijke liefde voor het dier bloeit makkelijker als het dier de mens ook af en toe eens aankijkt, was de stelling. Voor de vuistweg waren dieren opgesomd die daarin tekort schoten. Veel dieren willen bij gelegenheid wel jouw kant opkijken, maar ze kijken je nooit aan. Onverhoeds gleed een opmerking over `vervelende caviaatjes' uit de computer.

Diep in het zere keelgat van een lezeres die juist heel goede ervaringen heeft met cavia's. Zij heeft er een die altijd met een ruk zijn koppetje naar haar toedraait als hij denkt dat er eten komt. Dan piept hij ook. Lezeres ergert zich aan de negatieve cavia-beeldvorming in de media. Steeds meer journalisten grijpen bij gebrek aan beter naar de cavia. Het stelt haar teleur dat de debilisering van het knaagdier nu ook in het wetenschapskatern is doorgedrongen. De cavia is niet dommer dan andere dieren met hersentjes ter grootte van een hazelnoot.

Mevrouw, het zal niet weer gebeuren. Nu naar de hardheidsschaal van Mohs. Bij schurend, krassend, kervend of snijdend contact tussen materialen van ongelijke hardheid krast hard in zacht maar niet andersom. Dat leerstuk wordt nog steeds in ere gehouden door veel mineralogen en kristallografen. Als A harder is dan B krast A in B maar B krast niet terug in A. Dat het niet waar kan zijn is evident, werd op 20 maart betoogd, want waarom zouden dan scheermesjes slijten, het staal is toch veel harder dan de baardhaar. Het ìs ook niet waar, bevestigde een Delftse hoogleraar, het krassen en slijten is altijd wederzijds. Het zachte materiaal zal er altijd in slagen ook wat atomen uit het harde los te maken.

Een enkele lezer merkte op dat er bij het achteruitgaan van scheermesjes ook sprake kan zijn van microscopische vervorming en verbuiging van de snede. Zonder verlies van atomen, als het ware. En een andere lezer denkt dat het scheermes ook chemisch aangetast kan raken. Er zijn nogal wat staalsoorten (vooral die van het ouderwetse roestende soort) die makkelijk materiaal verliezen in vet zoals boter. Je ziet het als je bij het kamperen het lemmet van je zakmes schoonveegt aan een stuk wc-papier. Ook de aluminium kampeerpannetjes geven opvallend af aan olie en vet. Onduidelijk is of het de vetten an sich zijn die het effect teweeg brengen of de uit de vetten vrijgemaakte zuren.

Op een andere vraag kwam wel eenduidig antwoord. Het mag zo zijn dat volgens het nieuwe inzicht (zacht) leer in principe ook terugkrast in (hard) staal, het is toch wel erg kras dat de barbier vroeger zijn stalen scheermessen aanzette op een leren riem, stond hier. Helemaal niet kras, schrijven diverse lezers. Die leren riem had de kapper tevoren ingesmeerd met een slijp- of polijstpasta.

Op 6 maart ging het over de mogelijkheid informatie over historische klimaatcondities te winnen uit het typische temperatuurverloop in de diepe ondergrond. Vaak bewaart de bodem op grote diepte nog herinneringen aan vroegere warme of koude periodes. Hoe dieper, hoe ouder de informatie. Er werd en passant verwezen naar een artikel in Scientific American (juni 1993) dat liet zien hoe de bodem op een meter of twee diep al in tegenfase is met de gemiddelde luchttemperatuur aan de oppervlakte. Het effect van de versterkte afkoeling in de winter is pas na een half jaar op twee meter diepte doorgedrongen.

Het was een eye-opener voor de visserijbioloog die in zijn studietijd (1966) onderzoek deed aan lokale verplaatsingen en habitat-selectie van vleermuizen in de Sibbergroeve bij Valkenburg. Hij had destijds vastgesteld dat de verplaatsingen onder invloed stonden van temperatuuurveranderingen maar kon niet goed verklaren waarom de mergelgrotten op bepaalde plaatsen 's zomers kouder waren dan 's winters. Er was in die tijd nog weinig aandacht voor de dynamiek van de warmteuitwisseling tussen bodem en atmosfeer.

Nu is die er wel, ook hydrologen verbonden aan de Amsterdamse Vrije Universiteit doen er onderzoek naar. Maar het blijkt dat de `seizoenstemperatuur-golf' en de lange termijn opwarming nogal verstoord worden door grondwaterstromingen (die, omgekeerd, hun aanwezigheid met deze verstoring verraden). Een opgestuurde afbeelding laat zien hoe de bodem bij Hilvarenbeek op 20 meter diepte tussen 1982 en 2003 bijna een graad Celsius warmer werd.

Zo vlak voor Pasen ook nog even terug naar het ei dat op 27 maart besproken werd. De vraag was of het niet energie zou besparen als eieren voortaan werden gekookt in olie in plaats van water. Olie, zoals slaolie, is sneller op temperatuur en kan ook makkelijk warmer worden dan 100 graden. Wel 200 graden. Voor het beslissende vergelijkend onderzoek was teruggedeinsd, maar deze week is voor de verleiding bezweken. Uit veiligheidsoverwegingen werd besloten een vers kippenei met driekwart liter koude olie op te zetten. Dan zou het eiwit wel gestold zijn voor de olie erg heet was en kon er niets misgaan. Om er niet al te lang mee bezig te zijn ging het vuur flink hoog en binnen de kortste keren lag het ei te bruisen als een oliebol.

Lezer, doe dit niet na. Na tien minuten gebeurde precies wat twee weken geleden werd gevreesd. Er volgde een krachtige explosie waarbij gloeiende olie en losse eidelen over een afstand van ruim twee meter werden weggeworpen. De volkomen lege pan bleef zacht rokend achter. Het was een groot geluk dat de onderzoeker zelf op drie meter afstand had gestaan.

Het voornaamste dat na afloop viel vast te stellen was dat het ei in zijn diepe binnenste nog vloeibaar was gebleven terwijl het aan de periferie al vèr doorbakken was, inclusief de witte vliesjes die meestal aan de schil blijven hangen. Ei, gebakken in eigen schaal! Maar een culinair hoogtepunt was het niet, de geblakerde vliezen stonken als de hel. Restvragen: wat is het dat het ei zo doet bruisen in de warme olie? En waarom exploderen er nooit eieren in kokend water?