Albatros

Meester Frijlink leerde ons talloze liedjes, in de vijfde klas van de lagere school. Dwars door Valerius, Bobbejaan-klim-die-berg, Dudeljo-klinkt-zijn-lied (de wielewaal was ook toen al bijna uitgestorven), en nog veel meer. Hij kon goed zingen, speelde viool en had gewoon schik in muziek. Wij dus ook. Op zijn repertoire stond een liedje met de tekst: `Als Jan Olieslagers dood is, dan krijgen wij misschien / de helft van al zijn centen, en nog een vliegmachien.' Dat was al even Nederlands als Valerius: niet treuren om de dood, je ziel gaat naar Jezus en de poen gaat naar ons. Niets aan te doen, maar dan kwam het refrein: `Olieslagers, Olieslagers, Olieslagers val maar dood.' Toen ik tien jaar was vond ik dat al erg, maar pas nu besef ik hoe Hollands ook dit is: wie wil vernieuwen, wie pionier wil zijn, moet erop rekenen dat de meute massaal, en van veilige afstand, `Val maar dood' zal roepen.

Olieslagers, op 4 mei 1883 geboren in Antwerpen, was een authentieke held. Hij en zijn twee broers bezaten drie Blériot XI eendekkers, die zij aan de Belgische staat schonken toen Duitsland in 1914 België binnenviel. Zo'n toestel was een fortuin waard, dus onbaatzuchtig was de familie Olieslagers ook nog. Jan zelf ging in zijn vliegende krat de lucht in om, gewapend met een pistool, op Duitse tegenstanders te schieten. Om iemand in de lucht met een pistoolschot te treffen moet je akelig dichtbij komen, en zo'n kleine kogel is zelden afdoende: Olieslagers had beter een ruiterzwaard of een hellebaard mee kunnen nemen. Hij schijnt zelfs af en toe doel getroffen te hebben, waaruit je kunt afleiden hoe goed die man kon vliegen.

Mijn bovenmeester was geenszins bloeddorstig, en ik denk dat hij zich niet bewust was van de enormiteit van die tekst, juist omdat dat sentiment hier te lande zo gewoon is. Zo gewoon, dat er in een eeuw nauwelijks iets aan veranderd is. De nationale afkeer van werken op het randje van het onmogelijke, gevoegd bij de Hollandse trots op `gewoon' werken, is de drijvende kracht achter de meeste pogingen ons onderwijs en onderzoek te herverkavelen. Wie durft, mag doodvallen. Uitvinders, kunstenaars, wetenschappers, ontdekkingsreizigers en hun soortgenoten hebben het refrein tot walgens toe gehoord.

Het is dan ook bijzonder ironisch dat in het afgelopen jaar 's lands kopstukken zijn gaan spreken over vernieuwing, door hen steevast `innovatie' genoemd. Nu het met het zakelijk fatsoen niet zo wil vlotten, wordt de aandacht van bonussen en fraude afgeleid door werkend Nederland en bloc te verwijten dat men niet innovatief genoeg is. Dat klinkt nogal kras uit de mond van mensen die domweg achter de andere lemmingen aanhollen door hun hoofdkwartier van Eindhoven naar Amsterdam te verplaatsen, en dat dan `innovatie' noemen.

Wetenschap is vernieuwing, hoe je het ook noemt. Laten wij, om te zien hoe dat werkt, eens kijken naar de vliegkunst. Mijn vader had er twee boeken over, beide The Wonder Book of Aircraft geheten. Het ene ging over ballonvaart en luchtschepen, het andere over vliegtuigen. Tot mijn verdriet zijn beide verloren gegaan, dus ik kan er niet letterlijk uit citeren, maar wat vooral opviel was hoe ijverig de eerste luchtvaartpioniers probeerden vogels na te bouwen. Er was zelfs een Duits toestel dat Taube werd genoemd omdat het een natuurgetrouwe kopie was van het silhouet van dat dier.

Een echte wetenschapper, dus iemand die zeer opmerkzaam is, zou dat nooit zo hebben gedaan. Wie wel eens een kip heeft gefileerd weet dat vleugels met de gekste spierbundels, peesjes en glijdende katrolletjes in elkaar zitten om ze beweeglijk en bestuurbaar te maken. Je ziet zó dat er geen beginnen aan is. Maar een vaste vleugel bouwen is te doen. Zijn er vogels die nauwelijks met hun vleugels klappen? Zeker, en de opvallendste is de albatros, die je duizend kilometer van land door de lucht kunt zien zeilen. De albatros heeft zeer slanke, bijna onbeweeglijke vleugels. Dus lang-en-smal is het advies dat de Natuur ons geeft, en inderdaad: de vleugels van de beste zweefvliegtuigen zien er zo uit, en presteren zelfs beter dan de vogel waarvan wij het hebben afgekeken. Dat inzien is opmerkzaamheid, en daar zijn echte wetenschappers gigantisch goed in. Voorzover men niet `Val maar dood' stond te roepen zouden de innovatiepausen, als zij toen hadden geleefd, van de pioniers hebben geëist dat zij met nog meer nadruk (in die kringen heet dat `helder') vogels gingen nabouwen.

De captains of industry gaan met pioniers net zo om als het zingende volk. In het midden van de vorige eeuw was er een gloeilampenfabriek in het zuiden des lands die, omdat ze goede lampen maakte toen de meeste mensen nog in het donker zaten, een dikke portemonnee had. Ook was er een klein bedrijfje dat Electrologica heette, omdat het programmeerbare rekenmachines maakte met behulp van elektronische schakelingen. De lampenreus trok de vette beurs en nam het bedrijfje over. Maar na korte tijd werd de zaak opgedoekt omdat de nieuwe eigenaars vonden dat computers nooit meer zouden zijn dan duur speelgoed voor wetenschappers.

De directeur van Electrologica verdween teleurgesteld naar Zwitserland, en kwam alleen nog even naar ons Valmaardoodland terug om sterrenkunde te studeren. Hij was bijna zestig en zo messcherp dat hij best ook nog had kunnen promoveren, maar hij hield het hier voor gezien. Gelukkig maar, anders had hij moeten aanhoren hoe de baas van die lampenfabriek de brutaliteit had om ons, de vernieuwers, op de Avond van Wetenschap en Maatschappij de oren te wassen over innovatie, even voorbijgaand aan het feit dat zijn firma de kans had verknoeid om, behalve in lampen, beeldschermen en scheerapparaten, ook in computers de toon aan te geven.

Vernieuwen is veel moeilijker en mysterieuzer dan de goegemeente denkt. Het broodje-aap-verhaal `Ze kunnen wel een eeuwigdurende gloeilamp maken, maar ze willen het niet' heeft menig Eindhovens ingenieur tot wanhoop gedreven.

De mensen die het hardst om `innovatie' schreeuwen hebben zelf nog nooit iets oorspronkelijks voortgebracht, of althans niets van het kaliber van de transistor, de relativiteitstheorie of de communicatiesatelliet. Juist daarom zijn zij erop uit om de echte vernieuwers voor hun kar te spannen. Wat is beter dan Einstein zijn? Einstein marsorders geven door middel van taakstellingen, targets, citatie-indices, convenanten en voorwaardelijke financiering. Vooral dat laatste is hier aan de orde; immers, waarom verwachtten die val-maar-dood zangers maar de helft van Olieslagers' centen? Omdat zelfs de meest bloeddorstige meute wel weet dat de andere helft naar de belasting gaat, in plaats van naar fondsen voor pioniers.

De vernieuwers, dat zijn wij: van Jan Olieslagers tot Jan Oort. Wat kan het ons bommen dat iedereen zegt dat de mens niet kan vliegen? Maar helaas, ook de albatros, die wolkenprins, eindigt tenslotte op het dek van een schip, en de innovator is even kwetsbaar als de dichter: La Science est semblable au prince des nuées. De zeebonken uit Baudelaire's gedicht pestten de albatros, wiens reusachtige vleugels hem op het dek slechts tot last waren, met de rook uit een neuswarmertje. De barbaren die de wetenschap omlaaggeschoten hebben, gaan op die vleugels staan.