Affairettes ten koste van aandacht voor wetgeving

Een greep uit het binnenlandse politieke nieuwsaanbod van deze week levert onder meer de volgende brandende kwesties op. Woordenstrijd tussen de parlementariërs Hirsi Ali (VVD) enerzijds en anderzijds Sterk (CDA) en Huizinga-Heringa (ChristenUnie) over een column in een dagblad. Opwinding over publicaties inzake de echtgenoot van minister Peijs (CDA) die 21 jaar geleden als prominent in de bouwwereld betrokken zou zijn geweest bij kartels in de cementindustrie. Onthulling dat minister Van der Hoeven (CDA) bestuurslid is geweest van een hogeschool die genoemd wordt in de hbo-fraude. De columnistenkwestie is alweer overgewaaid, vermoedens van witwassen in casino's werden in overleg met minister Donner (CDA) niet concreet. Onder de affaire-Joustra (directeur van de uitvoeringsorganisatie UWV waar een dure verbouwing heeft plaatsgevonden in het hoofdkantoor) is deze week een streep gezet. De veel grotere overschrijding van de kosten bij de bouw van de Nederlandse ambassade in Berlijn met 70 procent (23 miljoen euro) ligt nog braak om een nationale rel te worden. Het rapport over integratie van de commissie-Blok, dat werd weggevaagd toen het werd gepubliceerd, kreeg deze week een bescheiden rehabilitatie.

Er wordt vaak beweerd dat `de media' nauw verknoopt zijn met `de politiek', maar wie dit onvolledige lijstje onderwerpen van de afgelopen dagen overziet, moet tot een andere conclusie komen. Politici reageren onophoudelijk op gevarieerde berichtgeving in de media en ze zijn niet langer nieuwsmakers, maar de volgers van het nieuws uit kranten en/of tv-rubrieken. ,,De journalisten worden het richtsnoer voor de politieke agendering en (vervolgens) voor het bestuurlijk handelen'', schrijft mr. Herman Tjeenk Willink, vice-president van de Raad van State in het deze week verschenen jaarverslag van dit hoog college van staat. Hij spreekt van incidentalisme, waarbij de aandacht voor het incident ten koste gaat van de parlementaire aandacht voor wetgeving. In zijn verslag stelt de `onderkoning van Nederland' over de rol van de Staten Generaal onder meer vast dat Europese wetten die uit Brussel komen in Den Haag nauwelijks aandacht krijgen en dat het parlemement de politieke controle op de uitvoering van beleid en op de besteding van publiek geld verwaarloost. Achteraf, als falen niet meer kan worden ontkend, komt er een parlementaire enquête. Maar dat is eerder een uiting van politiek onvermogen, dan van gebruik van een machtsmiddel.

Politiek heeft altijd een zeker element van vermaak, maar met zijn opmerkingen over het incidentalisme slaat Tjeenk Willink de spijker op de kop. De vele spoeddebatjes leveren meestal weinig meer op dan wat obligate opmerkingen van Kamerleden dat het anders moet. Om te voorkomen dat de Kamer tot een wasserette van lichte affaires verwordt, doen de parlementariërs er goed aan zich de zorgen van Tjeenk Willink ter harte te nemen.