Zet de reddingssloep uit

Op 19 april presenteert de Raad voor Cultuur zijn advies voor het kunstenplan 2005-2008. Het Cultureel Supplement voorziet staatssecretaris Medy van der Laan van vooradviezen. Aflevering 4: de film.

Geachte mevrouw de staatssecretaris,

Film, dat zult u gemerkt hebben, is het laatst overgebleven jongetje bij de gymles. De partijen zijn verdeeld, de ploegen zijn ongeveer even sterk en alleen het kneusje moet nog worden ondergebracht. En nu zit u er dus mee.

Wat is het snel gegaan. Vijf jaar geleden werd een nieuw filmbeleid van kracht. Het was gegrondvest op fiscaal voordeel voor particuliere filminvesteerders en moest de pruttelende Nederlandse filmindustrie van een turbomotor voorzien. Aan het roer stond de minister van Economische Zaken, de motor liep op de schijnbaar onbeperkte brandstofvoorraad van de schatkist en uw voorgangers hoefden alleen voor de smeerolie te zorgen. Een subsidietje hier, een subsidietje daar en de hele machine bleef lopen. Van 1999 tot en met 2003 heeft de speelfilmsector vierhonderd miljoen euro verstookt, voor het overgrote deel uit publieke middelen.

Het resultaat: er zijn meer Nederlandse films gemaakt dan ooit en er zijn meer mensen naar komen kijken dan heel veel jaren het geval was. Dat lijkt een stuk effectiever dan, zeg, het inburgeringsbeleid of het politiebeleid, waarbij meer geld niet tot een hoger opsporingspercentage heeft geleid. En wat doken er ineens een boel glunderende politici op bij premières en festivals. Het leek wel een vlaggenschip.

Toch is het filmbeleid – ook wel cv-regeling genoemd, naar de ondernemersvorm van de commanditaire vennootschap – vorig jaar met een ruk stopgezet, zijn de bewindslieden van Economische Zaken en Financiën overboord gesprongen en moet u in uw eentje het schip op koers houden.

Hoe, om de vraag maar eens op zijn Balkenendes te formuleren, neemt u nu uw verantwoordelijkheid? Rent u kriskras door de machinekamer en probeert u het hele schip op smeerolie te laten lopen? Gooit u alle ballast overboord en vaart u met een zo licht mogelijk schip verder? Of zet u de reddingssloep uit en haalt u die twee deserteurs weer aan boord?

De laatste variant zou het fijnst zijn. Voor het geld, natuurlijk. Maar ook voor de publieke moraal. Financiën en Economische Zaken hebben in goede tijden de eer opgestreken van hun ruimhartige beleid ten aanzien van de filmsector. Naar schatting honderd miljoen euro belastinggeld is via de cv-regeling naar filmproducties gegaan, waarvan zo'n negentig procent in de eerste twee jaar, toen ineens allerlei wildvreemde types (Mick Jagger!) films in Nederland wilden komen maken met het grootste belastingvoordeel van de wereld.

De ambtenaren die daarvoor verantwoordelijk waren, hadden de geldkraan ietsje kunnen aandraaien en de regeling op een meer beheersbare manier kunnen voortzetten. In plaats daarvan hebben ze de kraan helemaal dichtgedraaid en zijn ze hard weggerend. In slechte tijden heb je niet veel aan een minister van Economische Zaken.

Het is u niet gelukt uw collega's van EZ en Financiën te overtuigen alsnog medewerking te verlenen aan nieuw filmbeleid. En het is zeer de vraag of de Tweede Kamer hen ertoe zal dwingen.

Optimist

Nu is uw ministerie eerder alleen verantwoordelijk geweest voor het filmbeleid: alle jaren voor 1999 namelijk. Een optimist trekt daaruit de conclusie dat u het dus kunt. Maar de vraag is: kan het nóg? Het filmklimaat in Nederland is de afgelopen tien jaar radicaal veranderd. Verloren zoon Paul Verhoeven, de laatste tijd af en toe terug in Nederland, verbaasde zich onlangs op een bijeenkomst met jonge Nederlandse filmmakers. ,,Ik hoorde een regisseur zeggen: `Zo'n thema, daar kunnen we geen targetpubliek voor vinden.' Daar hielden wij ons vroeger helemaal niet mee bezig. Wij gingen gewoon aan het werk.'' Paul Verhoeven, vroeger verketterd omdat hij een plat-commerciële smaak zou hebben, is ingehaald door een generatie die denkt dat achter zijn successen een formule schuilt.

Ziehier de kern van uw probleem voor de komende jaren. De filmsector is gewend geraakt aan grote budgetten en groter publiek en gedraagt zich alsof ze dat op eigen kracht heeft veroverd. Maar wat filmmakers in Nederland ook zijn, ondernemers zijn ze niet. In de cv-jaren hielp uw subsidiegeld zoveel mogelijk particuliere investeerders naar de speelfilm te lokken, die het bedrag dat u beschikbaar stelde vervolgens met steun van de fiscus verveelvoudigden. Nu is uw geld – ongeveer 28 miljoen euro – al wat er ligt en dat is veel te weinig om de wensen mee te vervullen die de afgelopen jaren zijn vervuld. Dus dat moet u ook niet proberen. U moet kiezen wat u met uw geld gaat doen.

Een bijkomend probleem is dat niet alleen regisseurs en producenten geobsedeerd zijn geraakt door grote budgetten en bezoekcijfers, ook uw `eigen' Filmfonds is met die trend meegegaan. Het Nederlands Fonds voor de Film, het belangrijkste filmsubsidieloket, heeft voor de jaren 2005-2008 een plan gepresenteerd dat `Van marginaliteit naar volwassenheid' heet. Belangrijkste onderdelen: het aantal speelfilms moet jaarlijks naar 25 tot 30 groeien, waarvan vijf tot tien `populaire' films. Voor die categorie was in 2003 zo'n 8,5 miljoen euro gereserveerd op een totaal van 23,7 miljoen. Het komende jaar wordt dat minder, omdat Financiën niet meer meedoet, maar gaat het wel helemaal van uw begroting: 3,5 miljoen.

Iets van die verschuiving richting populaire film was al te zien in de jaarverslagen van de afgelopen jaren. Zo investeerde het Filmfonds het hoogste subsidiebedrag, 450.000 euro, in de formulefilm Volle Maan (veertien procent van het budget van de film) en 450.000 euro in Liever verliefd (goed voor een kwart van het filmbudget). Zulke films lijken vooraf ook goede kandidaten voor de Bonus voor succes, een geldprijs die het Filmfonds toekent aan de bestbezochte Nederlandse films in een jaar. Als het de producent een beetje meezit, is dus aan het eind van het jaar zo'n miljoen euro subsidiegeld naar pretentieloze pretfilms gegaan.

Niks mis met die films, alle succes en publiek is ze gegund, maar wat heeft de staatssecretaris van Cultuur daarbij te zoeken? Terwijl de filmfinanciering weer wordt ondergebracht bij Cultuur, blijven de subsidieverdelers van het Filmfonds de systematiek van de markt hanteren. Meer geld naar films die kaskrakers moeten worden. Is dat zinvol, met het beperkte budget dat u aan film kunt besteden?

Dat lijkt mij niet. Niet alleen omdat de doelstelling van uw subsidiebeleid deel hoort uit te maken van cultuurbeleid. Ook omdat de afgelopen jaren hebben bewezen dat die door marketingafdelingen via proefpublieken en blitse campagnes naar de bioscoop gesluisde confectiefilms voor een groot publiek, met een groot budget – films als Down, Soul Assassin, Fogbound, Adrenaline – vaak zowel artistiek als commercieel waardeloze flops zijn gebleken.

Confectiesucces, wil ik maar zeggen, kan nooit doelstelling van cultuurbeleid zijn. Het is achteraf makkelijker meetbaar dan artistiek succes, maar vooraf niet in te schatten. Publiekssucces als Pietje Bell 2 valt in de categorie ondernemersrisico en de Nederlandse film zal pas echt volwassen zijn als er filmondernemers opstaan die werkelijk zulke risico's nemen. Johan Nijenhuis, maker van Volle Maan en Costa!, belooft er zo een te worden. Die ziet zijn doelgroep en weet hoe hij die moet bedienen. Natuurlijk is het prettig voor hem dat er een loket is waar hij gratis geld kan lenen voor zijn film. Maar het is net zo onzinnig als wanneer Joop van den Ende subsidie zou krijgen voor Mamma Mia. Onzinnig omdat Joop van den Ende verwacht dat hij met zijn musical winst gaat maken en hij met die verwachting een risicovolle onderneming aandurft. Een subsidiefonds moet daarbij niet bankiertje willen spelen om de risico's van zo'n onderneming af te dekken.

Eigenzinnige leiding

Wat zou dan wel een werkbaar model zijn waarin het Filmfonds een zinvolle bijdrage aan de Nederlands filmindustrie kan leveren? Denemarken is een veelgenoemd voorbeeld. Een (rijk) filminstituut met een eigenzinnige leiding verdeelt er het geld. Speciale aandacht is er voor jeugdfilms – met veel succes bij publiek en kritiek. En ze hebben (publieks-)succes gehad met artistieke films, die van Lars von Trier voorop.

In Nederland hebben de familiefilms – vrijwel allemaal (zwaar) gesubsidieerd door het Filmfonds – ook een aardige reputatie opgebouwd bij eigen publiek. De Minoesen, Kruimeltjes en Pietjes Bell van de afgelopen jaren zijn grotendeels verantwoordelijk voor het spectaculair gestegen marktaandeel van de Nederlandse film in het totale bioscoopbezoek. Het lijkt zinvol om die categorie te koesteren, ook met subsidiegeld.

Het Filmfonds is nu te ambivalent. Enerzijds neigt het naar de Deense kant, naar meer sturend optreden, met sinds een paar jaar een intendant die actief meewerkt aan de ontwikkeling van te subsidiëren films. Aan de andere kant worden de subsidie-aanvragen nog vooral op het scenario beoordeeld. In de cv-jaren heeft dat ertoe geleid dat meer dan honderd producenten in Nederland films hebben gemaakt met subsidie van het Filmfonds. En dat terwijl het fonds terecht stelt dat professionalisering en dus verbetering van het filmklimaat in Nederland gebaat is bij een kleinere groep van sterke productiehuizen. Maar wat is nu de praktijk van het Filmfonds, zowel in de cv-jaren als in de jaren daarvoor? Dat al die regisseurs maar mondjesmaat aan filmen toekomen door de systematiek van de fondsen. Hoe de fondsen het ook in beleidsplannen formuleren, de praktijk is toch verdeling van armoe gebleven. Alex van Warmerdam vertelde in een interview hoe hij na een succesvolle film te horen kreeg dat hij nu weer een jaartje ,,niet aan de beurt'' was. Zo wordt het natuurlijk nooit wat.

Het zou de moeite lonen de ambivalentie van het Filmfonds – enerzijds een intendant die zich met de inhoud van scripts bemoeit, maar anderzijds gedachteloos geld stoppen in schijnbaar risicoloze kassuccessen – te doorbreken en de leiding daar aan te sporen tot meer eigenzinnigheid. Laat ze maar eens een paar veelbelovende regisseurs – en dan doet het er niet toe of die al jaren ervaring hebben of niet – steunen tot ze alles van hun kunnen hebben laten zien.

De vraag is dan, hebben wij in de categorie `artistiek waardevol' potentiële Larsen von Trier of Tomassen Vinterberg rondlopen, die met interessante films een groot publiek bereiken? Is dat Pieter Kuijpers (Van god los)? Robert-Jan Westdijk (Phileine zegt sorry)? Theo van Gogh (Baby blue)? Of Alex van Warmerdam (Grimm)? We zullen het nooit weten als ze niet de gelegenheid krijgen het te laten zien en nog eens te laten zien en nog eens.

De jaloezie van de achterblijvers moet u en uw Filmfonds dan maar een paar jaar op de koop toe nemen.

Publiekssucces kan nooit doelstelling van cultuurbeleid zijn