Wurgvergunning

De danswereld is bij uitstek internationaal georiënteerd. Een gezelschap als het Nederlands Dans Theater ontleent zijn kwaliteit aan een breed geschakeerd tableau. Dansers en danseressen van buiten Europa studeren aan de dansopleidingen in Nederland en willen hier hun vak uitoefenen. Daaraan is sinds deze week een einde gekomen. Het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) heeft, in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de regels voor internationale uitwisseling van talenten in de theaterwereld verscherpt. Het wordt moeilijker, zo niet onmogelijk, voor dansers buiten de Europese Unie om hier een werkvergunning te verkrijgen en, daaraan gekoppeld, een verblijfsvergunning.

,,De letter van de wet wordt steeds strenger toegepast'', zegt Hans Schamlé, directeur van het bureau Dance Unit, dat tal van voorstellingen produceert. ,,Vroeger gold alleen de artistieke eis, nu niet meer. De artistieke reikwijdte van een choreograaf wordt steeds kleiner. Dansers en choreografen zijn bij uitstek kunstenaars die ver over de grens kijken.''

Door deze strakke regelgeving komen dans- en theaterfestivals in gevaar. Niet alleen verhindert het CWI internationale uitwisseling, ook de omstandigheden waarin theaterkunstenaars willen werken worden onder vuur genomen door het ministerie. ,,Elk jaar komt er een nieuwe regel bij'', zegt Joop Mulder, artistiek leider van het Oerol Festival op Terschelling. ,,Niet alleen in internationaal opzicht, ook voor de arbeidsomstandigheden, de Arboregeling. Wij bieden voorstellingen aan op locatie, zoals in een scheepsruim of de duinen, op het strand. Voor de buitenstaander lijkt dat soms gevaarlijk, maar dat is niet zo. De dansers en acteurs oefenen lang met elkaar, ze kennen elkaars kracht en mogelijkheden. Samen maken ze een voorstelling waarbij ze uit zichzelf al en grote mate van veiligheid in acht nemen. In de 23 jaar van mijn festival is er nooit een ongeluk gebeurd.''

Het is een algemeen Hollands euvel, aldus Schamlé en Mulder, dat de regels zo ingewikkeld zijn dat vooraanstaande buitenlandse gezelschappen moeilijkheden ondervinden. Hierdoor verarmt het aanbod. De artistieke leiders van theater- en dansfestivals worden gedwongen zich uitvoerig te verantwoorden in ambtelijke rapporten. Dat kost veel tijd, waardoor er een extra financiële druk op de organisatie komt die niet wordt vergoed.

Onlangs sneuvelde de voorstelling Vormsnoei door ZT Hollandia, omdat drie Japanse danseressen geen vergunning kregen. Het is een fout van de politiek om de grenzen voor immigratie van kunstenaars dicht te metselen. En binnen Nederland liggen de eisen die aan de werkomstandigheden worden gesteld, buitensporig hoog. Op die manier loopt het dans- en theaterleven aan twee kanten gevaar, nationaal en internationaal.

Al die straffe regels tasten het wezen van kunst aan, namelijk de vrijheid om artistieke vernieuwing te zoeken. Daar komt enige waaghalzerij aan te pas. De kunstenaars hebben het ervoor over, de overheid helaas niet.