Wij komen elkaar nog wel eens tegen

Hoe te beginnen? Eerst maar eens de muze aanroepen en wachten op een rozevingerige dageraad? Vladimir Nabokov had niet zoveel geduld en begon gewoon op het moment waarop de geest over hem vaardig werd. `Inspiratie' zo luidt het eerste woord van zijn gedicht `Avond op een leeg terrein'. Dat is nog eens beginnen bij het begin: `Inspiratie', meteen gevolgd door een aanduiding van de omstandigheden waaronder de inspiratie zich aandiende: `roze avondhemel'. En daarna het beeld dat hem getroffen moet hebben: `zwart gebouw waarvan één raam / vurig oplicht.' En de eerste dichterlijke ingeving die bij het zien daarvan bij hem opkwam: `O, die hemel, / leeggedronken door dat vurig raam!'

Het is een wonderlijke avond, op een leeg halflandelijk of parkachtig terrein, in of aan de rand van Berlijn, waar Nabokov door een mengeling van gevoelens wordt overvallen: inspiratie, geluk, tranen, het gevoel zichzelf te verliezen en op te lossen `in nevel en zonsondergang'. Het is alsof de tijd wegwaait, de wereld leeg raakt en iets onbestemds zich aandient. Deze avond in Berlijn in 1932 doet hem denken aan een van de maanverlichte avonden die hij als eenzame dichtende jongeling doorbracht in het donkere park op het familielandgoed, in Wyra, nabij Sint Petersburg, omstreeks 1916. Ook daar bevond zich een oud huis en één verlicht venster, `en het lampje daarbinnen / als een eeuwige vlam voor het raam.' Het leek wel een groot oog, zoals er ook nu, op dit verlaten terrein in Berlijn een oog lijkt rond te waren, `knipogend door de zwarte vingers / van de fabrieksschoorstenen.'

In het donker dient zich nu een hond aan, met een witte vacht en slanke poten. Hij lijkt verdwaald, maar dan wordt er in de verte gefloten. `Een man die door de schemer heeft gezworven / komt nader, roept iets.' Het gedicht nadert zijn einde. De dichter houdt zijn adem in. Aan alles is te merken dat er iets groots of ontroerends of gevaarlijks staat te gebeuren. Uit de nevels van het park en uit de nevels van de herinnering doemt een man op, in wie Nabokov zijn in 1922 vermoorde vader herkent. En dan volgt alleen nog maar deze zin: `Je bent / nog niets veranderd sinds je bent gestorven.'

Ik citeer de vertaling van Anne Stoffel, uit de bundel Gedichten (2002). In zijn nawoord bij deze bloemlezing zegt Kees Verheul over deze slotzin dat hij `vermoedelijk Nabokovs sterkste regel' is. Hij zegt er niet bij waarom, maar ik denk dat het door de volkomen alledaagse en vrijmoedige toon komt. Het klinkt bijna brutaal bij zo'n gevoelig gegeven: alsof de dood er niet is, en er ook nooit geweest is. Zo praat je tegen levenden, op de vertrouwde toon van `je bent nog niets veranderd sinds ik je voor het laatst zag'. Je zou het absurd kunnen vinden: het absurde van een rare droom. Of hoogmoedig, om zo boven de tijd te gaan staan. Tegelijk weet iedereen die in gedachten of droom een overleden geliefde terugziet dat deze ervaring niet zo ongewoon is: een dode veroudert niet mee in de herinnering.

In het eerste gedicht van haar bundel Koffers zeelucht (2003) vertelt Hagar Peeters hoe ze 's nachts op straat haar ouders tegenkomt. `Vannacht kwam ik mijn ouders tegen, / twee bleke schimmen die naar elkaar / toe negen in het witte licht van een lantaarn.' Hoe zou dat verder gaan? Wil de dochter haar ouders volgen om te zien hoe ze zich gedragen samen, buitenshuis, in het uitgaansleven, terwijl ze niet weten dat ze worden bespied? Dat zou een veelbelovend gegeven zijn, maar na een witregel blijkt dat het ook hier niet om een werkelijke ontmoeting gaat. Er volgt een verbluffende regel, die de hele zaak op zijn kop zet, net zo verbluffend als de slotzin van Nabokov.

Dit is wat Peeters zag: `Aan hun geluk te zien kon ik nog niet / geboren zijn.' Daarmee wordt de belofte van het begin meteen om zeep geholpen. In een keer begrijpen we ook dat het hier, net als bij Nabokov, om een soort visioen moet gaan. Hij zag zijn vader na diens dood, zij ziet haar ouders voor haar geboorte. En ook hier is de toon volkomen alledaags en vanzelfsprekend, alsof het helemaal niet vreemd is om al voordat je geboren bent 's nachts op straat rond te lopen. En dan komt er ook nog, alles in één zin, een uiterst schrijnende mededeling mee. Hier ziet een kind dat haar ouders gelukkig zijn, en zij kan dan maar één ding concluderen: dat moet dan voor mijn geboorte zijn geweest. Verzwegen bewering: ik heb mijn ouders nooit gelukkig gezien. Verzwegen gedachte: ik ben de schuld van het ongeluk van mijn ouders. Verzwegen veronderstelling: als ik er maar niet geweest was, waren zij wel bij elkaar gebleven.

Het is niet logisch, en het staat er niet met zoveel woorden, maar het is wel wat veel kinderen, niet alleen van gescheiden ouders, vroeg of laat gaan denken: ik ben de dief van hun geluk geweest. In werkelijkheid voelen ze verdriet en woede, maar het is veel moeilijker om daarvoor uit te komen dan om de schuld op je te nemen. Hagar Peeters doet er nog een schep bovenop door juist de onschuld van de ouders aan te dikken. `Ze waren jong en heel verliefd', merkt ze vol begrip op. Hier spreekt geen verongelijkte dochter, hier spreekt grootmoeder die hoofdschuddend toeziet hoe de tortelduifjes hun toekomstige ongeluk tegemoet lopen. `Een groot verdriet bedroefde mij / omdat ik wist hoe het zou verdergaan.'

Het is verrassend, en psychologisch sterk, en ook wel humoristisch om te zien hoe de dochter haar positie van slachtoffer verandert in die van toeschouwer. `Zij schaterde om iets dat hij haar toegefluisterd had. / Hij lachte hard zoals hij nog vaak doet. / We wisselden een beleefde groet / en daarna scheidden zich weer onze wegen.' Naarmate het gedicht vordert neemt het rijm toe. Ik verbeeld me dat daaraan valt af te lezen dat de dichteres in de dochter de situatie steeds beter naar haar hand weet te zetten. Toeschouwer wordt regisseur. Net als in het vadergedicht van Nabokov wordt hier volkomen vanzelfsprekend de normale chronologie en de gebruikelijke rolverdeling opzij geschoven. `Wacht maar, riep ik hen na, / wij komen elkaar nog wel eens tegen.' Dreigende taal! Het lachen zal hun spoedig vergaan, en dat lijken de ouders zelf al bijna te beseffen. Slotregel: `Gearmd gingen ze zwijgend om een hoek.' Zie de ouders beteuterd om de hoek verdwijnen, als heengezonden kinderen, de les gelezen door hun dochter – vlak voordat ze verwekt gaat worden.