Tranen

Onlangs konden we een oude man zien huilen tijdens het luisteren naar het Wilhelmus. Het was kort voor het begin van de voetbalwedstrijd Nederland-Frankrijk.

De tv-camera zoomde in op het verweerde gelaat van de man op de tribune die aanvankelijk onbewogen toeluisterde. Plotseling, het volkslied was al over de helft, trok zijn gezicht zich samen in een smartelijke grimas, alsof er diep in zijn hart een bron van verdriet was geraakt. Hij kon het niet meer tegenhouden, hij huilde.

Als tv-kijker vroeg ik me nog even af of het geen gezichtsbedrog was, totdat de man een zakdoek te voorschijn haalde en zijn wangen bette.

De tv-regisseur hield de man op dit intieme moment zo lang in beeld omdat het niet zomaar een man was. Het was Rinus Michels. En tranen van Rinus Michels in het openbaar zijn zeldzaam, zo niet uniek.

,,Ach, misschien is hij gewoon verkouden'', zei iemand die met mij meekeek.

Maar zó gemakkelijk liet ik me de tranen van Rinus Michels niet afnemen. Daarvoor herkende ik te goed de plotselinge ontroering die bij oudere mensen vaker op onverwachte momenten kan toeslaan. Ze zien een vergeten voorwerp, ze horen een stem, of ze nemen afscheid van iemand die ze volgende week weer kunnen zien, of nooit meer – en ze schieten vol.

Bij Michels was het effect des te schrijnender, omdat zijn openbare leven juist altijd gekenmerkt werd door het onderdrukken van emoties. Een Michels laat zich niet gaan, was zijn onuitgesproken habitus. Een Michels is een mán. En mánnen laten zich niet afleiden van hun doel: de overwinning.

Een enkele keer mocht de boog even ontspannen worden, zoals na het behalen van het Europees kampioenschap in 1988 toen hij zich door zijn spelers op de schouders liet nemen. Maar verder is Michels zoveel mogelijk in de plooien van zijn zelfbeheersing gebleven. Zijn bijnamen klonken er ook naar: de bul, de generaal en, vooral, de sfinx.

Spelers waren voor hem soldaten die hij met afgebakende opdrachten `de oorlog' instuurde, zoals hij voetbal noemde. Voor hem mochten het onbekende soldaten blijven. ,,Als ik te amicaal zou worden, vrees ik dat ik het een keer terugkrijg, zij het misschien niet bewust'', zei hij eens.

,,Ik probeerde wel eens contact te krijgen met Michels'', heeft Van Hanegem gezegd, ,,maar dat lukte haast niet. Dat was wel zonde. (...) Omdat je het zo'n fijn iemand vindt, wil je er elke dag gewoon mee praten.''

Dit laatste citaat kwam ik tegen in 1974, Wij waren de besten, een binnenkort te verschijnen boek van Auke Kok over het wereldkampioenschap van 1974 dat Nederland op de valreep verloor. In dat boek, een boeiende reconstructie, blijft Michels het ondoorgrondelijkste personage.

Nederland verloor uiteindelijk vooral door zelfoverschatting en een groeiend gebrek aan zelfdiscipline, zou je uit dit boek kunnen concluderen. Spelers feestten en kaartten tot diep in de nacht en lieten zich uit het hotel smokkelen. Maar de man die altijd zo op discipline had gehamerd greep niet in.

Dat zal voor mij het grote raadsel van 1974 blijven. Een raadsel dat mij bij weemoedige terugblikken nog wel eens een traantje zal doen wegpinken.