Rice wint hoofden maar weinig harten

De Amerikaanse Nationaal Veiligheidsadviseur Condoleeza Rice verdedigde gisteren bekwaam haar president. Al was haar verweer erg bureaucratisch.

Hoe verklaar ik dat het Witte Huis alert was en actief tegen het gevaar van terrorisme maar acht maanden nodig had om een beleidsnota goed te keuren? Door zelfverzekerd en competent te lijken, tegen iedere prijs. Maar als de president het gevaar van Al-Qaeda begreep, waar bleven zijn daden?

Het was een uiterst moeilijke opgave waar Condoleezza Rice voor stond toen zij gisteren getuigde voor de commissie die de aanslagen van 11 september 2001 onderzoekt. Het Witte Huis had haar openbare getuigenis onder ede zo lang tegengehouden dat haar komst een met drama omgeven anticlimax moest worden. Dat het dat niet werd, was grotendeels te danken aan Rice's prestatie om een matige zaak een optimale verdediging te geven.

Van de commissie die de aanslagen van 11 september 2001 onderzoekt, kwam het vuurwerk nauwelijks. Oud-staatssecretaris van de Marine, Lehman, vuurde een waslijst korte vragen af die geen andere functie hadden dan te illustreren dat onder de regering-Clinton ook niet genoeg was gebeurd. De Democraten boorden wat verder door en confronteerden de Nationale Veiligheidsadviseur van president Bush met de zeer kritische getuigenis van binnenuit van de ex-chef terrorisme-bestrijding van het Witte Huis, Richard Clarke, die twee weken geleden voor de commissie verscheen.

President Bush belde na afloop van de bijna drie uur durende getuigenis `uit zijn pick-up truck' om zijn vertrouwde `Condi' te feliciteren met haar prestatie, aldus het Witte Huis. Bush had inderdaad reden haar dankbaar te zijn. Rice kende haar dossiers, en zag kans fel te lijken voor een goede zaak, zonder een onvertogen woord aan iemands adres te richten.

Dat zij desondanks meer hoofden dan harten won, was waarschijnlijk het gevolg van een sterk bureaucratische verdediging. Rice onderstreepte aanhoudend `systeemgebreken' die de regering `systematisch' had aangepakt. In plaats van de symptoombestrijding van de regering-Clinton had het Bush-Witte Huis de dreiging van Al-Qaeda vooral in een breed `strategisch' verband gezien.

Men had niet alleen gestreefd naar het bestrijden, maar het vernietigen van Al-Qaeda. Om dat te bereiken had men de politieke druk opgevoerd op landen als Afghanistan en Pakistan. Terwijl die grotere plannen werden opgetuigd, kwamen allerlei meldingen uit het spionagecircuit die `ongelooflijk nieuws' en `een heel grote klap' voorspelden, vertelde Rice.

Maar zij kon niet ontkennen dat de regering-Bush veel andere prioriteiten had gekend vóór 11 september 2001. En toen een van de commissieleden Condoleezza Rice liet vertellen wat de titel was van een briefing die president Bush op 6 augustus 2001 kreeg, antwoordde zij: ,,Ik geloof: `Al-Qaeda vast van plan binnen de Verenigde Staten aan te vallen'.'' Om het commissielid ongevraagd te trakteren op excuses die hem veel van zijn tien minuten vragentijd kostte.

De strekking van Rice's wegwuivend commentaar was: er stond niets nieuws in. Waarop het commissielid, de advocaat Richard Benveniste (een Democraat) haar tartte door te stellen: geef het vrij, dan kan iedereen zich een eigen oordeel vormen. Het Witte Huis maakte later bekend dat de tekst zal worden vrijgegeven. Men heeft intussen het beperkte nut geleerd van lang tegenwerken en dan zwichten onder druk van de roep om openbaarheid.

Een verslaggever van de The Washington Post herinnert er vanmorgen aan dat de president de dag na die briefing op zijn buitenhuis in Crawford, Texas, kort met de pers praatte na een partijtje golf. Waar hij mee bezig was zoal? Nationale veiligheidszaken. Voorbeeld? Saddam Hussein. ,,Hij is nog steeds een bedreiging, we moeten hem in touw houden. Hij moet zijn land openstellen voor inspecties, zodat we kunnen zien of hij massavernietigingswapens maakt.''

David Gergen, adviseur van opeenvolgende Republikeinse en Democratische presidenten, en nu verbonden aan de Kennedy School of Government in Harvard, prees na afloop het optreden van Rice op CNN. Maar zijns inziens heeft het niet een eind kunnen maken aan de vragen over het leiderschap van Bush die steeds luider klinken door het samenvloeien van de twijfel over de ernst van het anti-terrorisme-beleid (vóór en na `9/11') en het Iraaks moeras (geen massavernietigingswapens gevonden plus een groeiende opstand in plaats van de voorspelde hartelijke verwelkoming).

Volgens Gergen moet de datum van 30 juni voor de soevereiniteitsoverdracht naar achteren worden geschoven. ,,De situatie is té onoverzichtelijk. Tegen wie vechten we? De mensen aan wie we het bestuur zouden overdragen?'' Voor een ervaren waarnemer, die president Bush altijd zeer heeft ontzien, komt een dergelijke analyse als een waterscheiding. Rice heeft het fort bekwaam verdedigd, maar de oorlog gaat door. Ook in de VS.