Medemensen in de marge

Meestal gaan discussies over inburgeren, tolerantie en aanpassing over nieuwkomers van wie verwacht wordt dat ze ooit zullen opgaan in de cultuur van hun nieuwe vestigingsland. Maar er zijn altijd groepen in de Europese samenleving geweest waarmee precies het omgekeerde gebeurde: ze werden uitgestoten, gemarginaliseerd, vervolgd, zwaar gestraft en soms bedreigd met uitroeiing. Over hen gaat de breed opgezette studie van de Belgische historicus Fernand Vanhemelryck. Wie mochten er in het tijdvak 1100-1800 in West-Europa niet bijhoren? Waarom werden juist deze groepen aangepakt en uitgesloten? Waar kwam die Europese politiek van uitsluiting en anti-integratie vandaan en wat veranderde er in de loop van 700 jaar? Vanhemelrycks verhaal is fascinerend en gruwelijk tegelijk. Doordat zigeuners, hoeren, homoseksuelen, ketters, heksen, joden, rondzwervende armen en melaatsen elk in een eigen hoofdstuk besproken worden, doet hij recht aan de grote verschillen tussen deze groepen. En door de opeenvolging van die geschiedenissen en de dwarsverbindingen daartussen doemt tegelijkertijd een schrikaanjagend beeld op van een breed Europees patroon van vervolging.

Het patroon dat Vanhemelryck beschrijft is eenduidig, maar niet eenvoudig te verklaren of te interpreteren. Voor de twaalfde eeuw werden de genoemde groepen in Europa weliswaar niet gewaardeerd, maar evenmin hardhandig aangepakt of vervolgd. In de twaalfde eeuw werd een proces van uitsluiting zichtbaar, dat alleen maar in kracht en omvang toenam; in de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw bereikte het een hoogtepunt. Ketters en heksen werden in grote delen van Europa vervolgd en verbrand. De zedelijkheidswetgeving werd overal aangescherpt, de `eigen' identiteit afgebakend van die van afwijkende `anderen'. De sodomietenvervolgingen en de klopjachten op zigeuners (die straffeloos mochten worden doodgeschoten) in de Republiek van de late zeventiende en vroege achttiende eeuw zijn slechts enkele voorbeelden.

Vanhemelryck weet aan de hand van voorbeelden uit de gebieden die hij het beste kent – de Zuidelijke Nederlanden, Frankrijk, Duitsland en af en toe Nederland – op knappe wijze bredere Europese patronen te schetsen, maar in verklaren en analyse is hij niet sterk. Het antwoord op de cruciale vraag waarom zich zo'n vervolgingspatroon ontwikkelde blijft steken in sociologiserende vaagheden. De meerderheid, zo schrijft hij, wordt steeds banger voor het fundamenteel anders zijn van minderheden, wat leidt tot repressie en discriminatie; vervolging is onderdeel van een meer algemene zuivering van de samenleving. Ook noemt hij ad hoc redenen zoals hongersnoden en pestepidemieën. Even sleets is zijn suggestie dat er in de late achttiende eeuw een einde kwam aan de uitsluitings- en vervolgingspolitiek door `maatschappelijke ontwikkeling'. Inspirerende visies op deze vraagstukken zijn wel degelijk ontwikkeld door de mediëvist R.I. Moore in zijn briljante studie The formation of a persecuting society (1987) en door Vanhemelrycks landgenoot Paul Vandenbroeck in Beeld van de Ander. Vertoog over het Zelf (1987). Dat beide boeken in de literatuurlijst ontbreken is een blamage.

Fernand Vanhemelryck: Marginalen in de geschiedenis. Over beulen, joden, hoeren, zigeuners en andere zondebokken. Davidsfonds, 302 blz. €22,50