Koester die vervloekte sluier

De schrijver Nathaniel Hawthorne belichaamde de dilemma's die Amerika nog steeds kenmerken. Hij wilde graag geloven dat de mens zijn eigen lot bepaalt, maar tegelijk knaagde het besef van doem. Eindelijk heeft hij een echt goede biograaf gekregen, die hem zijn raadselachtigheid gunt.

Hij haatte schrijvende vrouwen. ,,Alle vrouwen zijn als auteur slap en vervelend. Ik wou dat hen verboden zou worden te schrijven, op straffe van een diepe kerf in hun gezichten met een oesterschelp.' Die schroeiende haat was voor een deel beroepsjaloezie; Nathaniel Hawthorne (1804-1864) was na jaren van armoede en onbekendheid een gevierde auteur geworden, zijn romans The Scarlet Letter en The House with the Seven Gables werden geprezen als meesterwerken (eindelijk echte Amerikaanse literatuur!), maar ze verkochten mondjesmaat – zeker wanneer je het vergelijkt met de successen van vrouwelijke bestsellerschrijvers van zijn tijd. Van The Scarlet Letter waren in het jaar van verschijning, 1850, zo'n zevenduizend exemplaren verkocht, van Harriet Beecher Stowes Uncle Tom's Cabin werden er in 1853 driehonderdduizend weggezet. Vanuit het Engelse Liverpool, waar Hawthorne een viertal artistiek weinig vruchtbare jaren als Amerikaans consul sleet, gaf hij zich over aan ongeremde misogynie: ,,Amerika is nu volledig in handen van een verdomde menigte krabbelende vrouwen en ik denk niet dat ik enige kans op succes zal hebben zo lang de smaak van het publiek zich op hun rotzooi richt – en ik zou mezelf schamen als ik wel zou slagen.'

Het was waar – de meeste schrijfsters van Hawthorne's generatie wisten de aandacht van het publiek te trekken met modieuze, quasi-actuele thema's, waardoor ze bij uitstek modern leken, terwijl hijzelf de literatuur zag als middel om wat diep verborgen lag in de menselijke natuur bloot te leggen. Zijn ideale vorm was de `romance', een genre waarin de alledaagse werkelijkheid in een vreemd en spookachtig licht werd geplaatst, zodat realistische, herkenbare details een andere, onzichtbare werkelijkheid konden onthullen. Een `broader and higher truth' noemde hij het zelf. Die waarheid ontsteeg de politieke kwesties van de dag, zelfs wanneer het om een goede zaak als het afschaffen van de slavernij ging, zoals bij Beecher Stowe.

Maar dat was niet het hele verhaal van Hawthorne schrijvende vrouwenhaat. Hawthorne voelde zich ook bedreigd door de emotionele openhartigheid van de schrijfsters die hij wel degelijk goed vond. De schrijver die trouw aan zich zelf is, wist hij, moet zich op papier bloot geven – maar de directe, autobiografische manier waarop sommige vrouwelijke auteurs dat ook toen al deden, joeg hem angst aan. Over zijn tijdgenote Fanny Fern, die een snerpende satire over de uitgeverswereld had geschreven: ,,Die vrouw schrijft als bezeten door de duivel, en dat is de enige toestand waarin een vrouw iets kan schrijven wat de moeite van het lezen waard is.' Zulke vrouwen waren direct, en Hawthorne was allesbehalve direct.

De houding van Hawthorne jegens zijn vrouwelijke collega's was dus eerder ambivalent en tegenstrijdig – zoals hij dat in alles was. Hester Prynne, de onverwoestbare hoofdpersoon van The Scarlet Letter is ook een vrouw die hij tegelijk bewondert en vreest. De schrijver in hem besefte dat hij zich in zijn werk naakt moest laten zien, maar in zijn leven hulde hij zich het liefst in schaduwen. De meeste van zijn vrienden lazen hem dan ook liever dan dat ze hem zagen. Hij kende Thoreau en Emerson, en Melville was zo ongeveer verliefd op hem, maar hij bleef emotioneel op een afstand. Hij was tegen de slavernij, maar hij was ook tegen het afschaffen ervan. Zijn verlichte vrienden en schoonfamilie laakten zijn terughoudendheid en bizarre argumentatie in deze kwestie, die de wrede status quo leek te verdedigen; terwijl Amerika onverwijld op een burgeroorlog aankoerste, bleef Hawthorne zich verschuilen in halfhartige standpunten. De man die in Amerika werd beschouwd als de grootste schrijver van zijn tijd, weigerde in de laatste jaren van zijn leven nadrukkelijk het geweten van de natie te worden.

Na zijn terugkeer uit Europa en de publicatie van The Marble Faun (1860) trok hij zich terug binnen de muren van zijn huis in Concord, Massachusetts, en in zijn eigen hoofd. Hij verschanste zich achter zijn bureau, maar slaagde er niet meer in een nieuwe `romance' te voltooien. Het leven buiten de muren van zijn werkkamer leek hem een diepe afschuw in te boezemen. Hij gruwde van de idealen en het optimisme van zijn betrokken buren, waaronder Emerson – achter de hoopvolle waan van de dag ontwaarde hij een en al dreigende desillusie en zinloosheid. Maar zijn misantropie kwam voort uit wanhoop, niet uit haat. Hij gruwde van de Burgeroorlog. Op het laatst bracht hij dagenlang alleen in zijn werkkamer door. In een van zijn hopeloze fragmenten van onvoltooid werk schreef hij over een doodgeboren personage: `Hijzelf voelde zich in een vreemde disharmonie met de menselijke soort, en zou er veel voor over hebben gehad om er helemaal mee samen te vallen of er anders voorgoed van gescheiden te worden.' De oude Hawthorne – die overigens nog geen zestig was – kon niet meer in het leven geloven, en ook niet meer in zijn werk.

En hij had zo zijn best gedaan. De nieuwe biografie van Brenda Wineapple, die ook een erg goede dubbelbiografie over Gertrude Stein en haar broer Leo op haar naam heeft staan, legt de tragische ambivalentie bloot die als een rode draad door leven en werk van Hawthorne loopt. Zijn vader, een zeeman, verdronk toen hij vier maanden oud was; zijn moeder zocht steun bij haar familie, een redelijk geslaagde zakenfamilie in Salem, een havenstad even ten noorden van Boston. Als jongen bracht Hawthorne veel tijd door op het landgoed van zijn ooms in Maine. Die beschutte plek, waar hij zijn verbeelding ruim baan kon geven, gold voor hem als het paradijs. De handelsstad Salem was de stad van de plicht, van de praktische Amerikaanse moraal die een werkzaam en nuttig leven eiste. Lange tijd bleef Hawthorne, die een mooie jongen was en vervolgens een mooie man, een dromer. Maine was familie, geborgenheid, natuur, licht en fantasie; in het prozaïsche Salem, de stad waarin zijn puriteinse voorouders tijdens de heksenprocessen van 1692 fervente vervolgers waren geweest, wachtten de gruwelen van het echte leven.

De jonge Hawthorne begon verhalen te schrijven, vreemde, fantasievolle verhalen. Schrijven was een bezigheid waarover hij zich zijn leven lang schuldig is blijven voelen. Het was waar hij voor geschapen leek, maar het was moreel niet helemaal in de haak. Het schrijversschap betekende afzondering en eenzaamheid; de schrijver observeert het leven, maar leeft het nauwelijks. Bovendien drongen zich in zijn verbeelding spookbeelden op die hem een duistere wereld van onderdrukte verlangens en wrede aanvechtingen onthulden. Een man kon niet zijn hele leven te midden van hersenschimmen doorbrengen. Hawthorne wilde schrijven, maar hij wilde ook `a man among men' zijn, die geen verlaten zijweg inslaat van `the highway of human affairs'. Wie zo'n zijweg inslaat, loopt het risico `of losing his place forever'. Wanneer hij schreef, verlangde Hawthorne naar een praktisch leven, waarin alles tastbaar en overzichtelijk en verheffend op z'n Amerikaans was. Behalve een verplichting jegens een heersende moraal, en de praktische noodzaak zijn gezin te onderhouden, was dat verlangen naar een `intercourse with the world' ook een innerlijk noodzaak; in hem leefde de angst om zichzelf te verliezen, om af te drijven van de wereld en zijn medemensen en ten prooi te vallen aan de spookbeelden van zijn eigen geest. ,,Diep in ieder hart,' schreef hij, ,,bevindt zich een graf en kerker.'

Maar het mes sneed hem aan twee kanten. Tijdens zijn leven bekleedde Hawthorne meerdere malen een praktische functie – onder meer in het inklaringskantoor van de haven van Salem – en steeds opnieuw greep een ander soort wanhoop hem bij de keel. Het praktische leven bleek letterlijk geestdodend. Dreigde in de afzondering van de verbeelding de waanzin van de eenzaamheid; in gemeenschap met anderen dreigde hij voortdurend weg te zinken in een moeras van nietszeggendheid. Hawthorne's geest bleek niet uitgerust voor wereldse taken. En al helemaal niet voor wereldse idealen. Zijn zelfgekozen verblijf in de utopische gemeenschap Brook Farm, gesticht door zijn vooruitstrevende, filosofische vrienden, draaide op onvrede en teleurstelling uit. Hawthorne ontleende genoegen aan de praktische kant van het boerenbedrijf – timmerwerk, het hakken van hout – maar het lukte hem maar niet om warm te lopen voor de ideële grondslagen van deze `natuurlijke' gemeenschap. Bovendien, was, zoals Wineapple schrijft `de zonde voor hem een noodzakelijk instrument voor bewustzijn'.

Zo zag Hawthorne het zelf ook – letterlijk. In zijn befaamde opstel `The Custom House' dat hij vooraf liet gaan aan zijn beroemdste roman, The Scarlet Letter, laat hij zien hoe een zonde uit het verre verleden zijn verbeelding tot leven wekte. Het essay begint met een sardonisch portret van zijn collega's in het douanekantoor van Salem – oude uitgebluste mannen zonder werklust of ambitie. De dagelijkse sleur als een verzwelgend zwart gat, het gemoedelijke ambtenarenbestaan als symbool van de totale zinloosheid; Hawthorne schets houdt het midden tussen Debiteuren/Crediteuren en Het bureau. Maar op een dag vindt Hawthorne – dit is volkomen verzonnen – op de zolder van het havengebouw een rol perkament waarin zich een lap stof met een eigenaardige, gestikte vuurrode letter A bevindt. Onwillekeurig houdt Hawthorne de letter tegen zijn borst en voelt een brandende hitte `alsof de letter niet van rode stof maar van gloeiend (red-hot) ijzer was. Ik huiverde en liet hem in een reflex op de grond vallen'.

Dit melodrama bevat een hogere waarheid; Hawthorne, wiens baan een politieke benoeming was geweest, kreeg ontslag toen er een president van de tegenpartij werd gekozen. Zijn terugkeer naar het schrijversschap, wat The Scarlet Letter opleverde en zijn reputatie als belangrijk schrijver vestigde, was noodgedwongen, maar het voelde niettemin als een bevrijding. De letter die Hester Prynne van de onverzoenlijke puriteinen moet dragen vanwege haar overspel, is een onuitwisbaar symbool van zonde, maar ook van de verbeelding – Hester klampt zich er aan vast en maakt de letter tot een tastbare uiting van haar diepste wezen. Eerst is de letter een brandmerk van een hypocriete buitenwereld, later is Hester het die de letter haar eigen betekenis geeft.

Maar het opnieuw ontvlamde schrijverschap bood Hawthorne slechts tijdelijk onderdak. `I am a citizen from somewhere else,' beweerde hij in 'The Custom House'. Dat zinnetje heeft een even grote, ongrijpbare resonans als Rimbauds beroemde `Je est un autre', maar anders dan de Franse dichter heeft Hawthorne het niet alleen over vervreemding van zijn eigen ik, maar ook van de wereld. In haar biografie laat Wineapple zien hoe Hawthorne langzaam maar zeker vastloopt in zijn eigen persoonlijke dilemma. Uiteindelijk geeft noch het schrijverschap noch een praktisch bestaan zijn leven vorm en zin.

Dat dilemma is niet enkel persoonlijk. Het werk van Hawthorne is Amerikaans, omdat het twee onverenigbare levenshoudingen laat botsen – zoals die nog iedere dag in talkshow van Oprah botsen. Aan de ene kant het praktische geloof in de oneindige maakbaarheid, het idee dat een mens zijn eigen leven kan maken, en ook de rest van de wereld. Aan de andere kant de onvermijdelijke doem, de knagende notie dat het individu al bij zijn geboorte gemaakt is door zijn voorgeschiedenis, zoals de misdaden van de voorouders zich voorplanten in de volgende generaties Pyncheons in The House with the Seven Gables (1851). Zijn leven lang ondernam Hawthorne manmoedige pogingen om in het eerste te geloven, maar in zijn hart wist hij dat een mens een hopeloos gegeven is, dat niet in staat is blijvend aan zichzelf en zijn omstandigheden te ontsnappen. Vandaar dat hij aan het eind van zijn leven geen enthousiasme meer kon opbrengen voor de hoopvolle projecten van zijn tijd, vandaar dat hij zich maar bleef vastklampen aan vrienden als de hopeloos mislukte president Franklin Pierce, die de risee van de Amerikaanse politiek was geworden. Doordat hij inzag dat het afschaffen van de slavernij de problemen van de zwarten van Amerika niet zou oplossen, raakte hij verlamd; vrienden van hem, die net zo alledaags racistisch waren als hij, schaarden zich wel ondubbelzinnig aan de kant van het noorden in de burgeroorlog.

Hoe verhoudt wat zich in ons hoofd afspeelt zich tot de buitenwereld? Hawthorne's romans en verhalen bevinden zich op het snijpunt van ons bewustzijn en de werkelijkheid. Een van zijn bekendste verhalen, `The Minister's Black Veil', geschreven toen hij nog een jonge man was, gaat over een geestelijke die op een dag ineens een sluier draagt – niemand weet waarom. De zwarte sluier verstoort het beeld dat zijn omgeving van de man heeft, maar het verandert ook de manier waarop hij naar de wereld kijkt, net zoals die vuurrode letter A op de borst van Hester Prynne zowel haar plaats in de wereld bepaalt als haar innerlijke leven vormt. De predikant wordt verketterd door zijn omgeving, omdat hij zich buiten de maatschappelijke orde heeft geplaatst. Op zijn sterfbed proberen zijn meerderen hem zijn sluier af te nemen, om zijn onzichtbare zonde eindelijk aan het licht te brengen – maar met zijn laatste adem drukt de stervende de sluier hard tegen zijn gezicht. Waarom huiveren de omstanders voor hem alleen, vraagt hij hen beschuldigend. Huiver voor elkaar! Want zijn sluier is niets anders dan een symbool. Wanneer vrienden elkaar werkelijk in elkaar hart laten kijken, de geliefde aan zijn geliefde, wanneer de mens niet schielijk wegduikt voor zijn Schepper, pas dan kan de predikant met zijn sluier een monster worden genoemd. Iedereen draagt een sluier, overal om zich heen ziet hij zwarte sluiers! Hij sterft en de schuldbewuste dorpsgenoten begraven hem zonder de sluier van zijn gezicht te halen.

Zijn hele leven was Hawthorne zich bewust van zijn sluier – een sluier die hij nu eens koesterde, dan weer vervloekte. Het is die sluier die het leven vorm geeft, het is die sluier die het leven onmogelijk maakt. Wineapple is een werkelijk goede biograaf, en ze weigert dan ook de sluier van Hawthorne's gezicht te scheuren. Haar Hawthorne blijft raadselachtig, zijn biografe, anders dan de vrouwelijke auteurs met hun klipklare wereldbeeld, gunt hem zijn ongrijpbaarheid. Wineapple is empatisch, maar vereenzelvigt zich niet met haar onderwerp. Zo nu en dan lijkt Hawthorne zelfs helemaal weg te vallen. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer zij zich bezighoudt met de kleurrijke vrouwen uit zijn omgeving, krachtdadige pre-feministen als Elizabeth Peabody (een schoonzuster van Hawthorne) en de schrijfster Margaret Fuller. Dat waren vrouwen die veel minder moeite hadden dan Hawthorne om een plaats in de wereld in te nemen. Maar tegelijk weet de biografe duidelijk te maken dat het gespleten schrijverschap van dit schimmige bewustzijn, dat voortdurend pendelt tussen verhulling en openbaring, duisternis en licht, eenzaamheid en verlangen, zonde en verlossing, je meer heeft te vertellen dan je lief is.

Brenda Wineapple: Hawthorne. Knopf, 509 blz. €38,95