Kaboutertje kan schrijven

Als Alfons de Ridder dertien jaar is, weet zijn vader Christiaan de Ridder het al bijna zeker: die jongen kan schrijver worden. Aan zijn dochter Marie schrijft hij in mei 1895: `Bij onze Fons is een geheelen ommekeer gekomen [...] zijnen professor twijfelt of hij zijn werk wel alleen maakt. Over eenige dagen moest hij het park beschrijven bij winterdag. Ik begrijp niet hoe zoo een caboterken zooiets kan aan-een brengen, het was iets buitengweoons, waardig om gedrukt te worden, gelijk mijn Mieke altijd zeide van dien normalist.' Inderdaad zou het `kaboutertje' gaan schrijven, onder het pseudoniem Willem Elsschot.

De brief van de vader is een van de mooiste vondsten van Martine Cuyt in haar vorige week verschenen Willem Elsschot. Man van woorden, een verzameling schriftelijke en mondelinge getuigenissen over De Ridder/Elsschot. Cuyt heeft zich in haar boek geconcentreerd op het privé-leven van Elsschot, wat hier en daar ontdekkingen oplevert die ook voor de interpretatie van Elsschots werk van belang zijn. Zo vond Cuyt een brief van De Ridders moeder aan haar zoon, waarin deze hem de oren wast over de losse huwelijkse moraal die hij erop na houdt. Rond 1910, schrijft zij: `Gij weet wel dat gij niet in uw huwelijk gehandeld hebt zoals het behoort. Zo er iets is, is 't uw fout [...] Ik kan niet geloven, Fons, dat gij uw huishouden zo ongelukkig zou maken en bijzonder uw kinderen die u zo beminnen en u [hen] ook.' De zoon is in een echtelijke crisis verwikkeld, die een nieuw licht werpt op Elsschots beroemdste gedicht, `Het huwelijk' (`maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad/ staan wetten in de weg en praktische bezwaren'), ook uit 1910, en dan vooral op de vraag of dat gedicht als autobiografisch moet worden geduid.

Voor andere amoureuze strubbelingen die in Elsschot. Man van woorden aan de orde komen geldt dat minder. Cuyt laat zien dat Elsschot een schuinsmarcheerder was, maar dat wisten we eigenlijk al, en geeft één ex-minnares alle ruimte: de dichteres Liane Bruylants, die tussen 1946 en 1951 kennis had aan De Ridder (`De daad op zich was niet zo geweldig'). De literatuurhistorische relevantie ervan is betwistbaar; al in 1947 publiceerde Elsschot zijn laatste boek, Het dwaallicht.

Cuyts boek is voor tweederde gewijd aan de naoorlogse periode, toen Elsschot in feite een ex-schrijver was geworden. Het gros van de getuigenissen is bovendien aan de oppervlakkige kant. We lezen wel dat Simon Vinkenoog zich niet veel meer kan herinneren van het interview dat hij Elsschot in 1957 voor de Haagse Post afnam, maar niet wat er dan in dat interview stond. De duiding van Cuyts matig gestructureerde materiaal blijft beperkt tussen de overbekende tegenstellingen in het leven van Alfons de Ridder: tussen schrijverschap en ondernemerschap, tussen gevoeligheid en zakelijkheid, tussen burgerlijkheid en vrijzinnigheid. Die kritiek neemt niet weg dat Willem Elsschot. Man van woorden belangrijke bouwstenen bevat voor Elsschots biografie, die Vic van de Reijt over twee jaar hoopt te publiceren, alsmede enkele voor de liefhebber interessante anekdotes en mooie foto's.

Martine Cuyt: Willem Elsschot. Man van woorden. Meulenhoff Manteau, 280 blz. €19,95