Je hoeft niet zo te schreeuwen!

Herkennen de liefhebbers van J.J. Voskuils `Het Bureau' in de hoorspelserie de kracht van de boeken? Is het hoorspel aantrekkelijk voor wie die boeken niet kent? Het antwoord is twee keer ja.

`Goedemorgen luisteraars. Staat u allen klaar?'

Iedereen die in de jaren vijftig is opgegroeid, hoort bij deze woorden het pianoriedeltje waarmee Ab Goubitz dagelijks de ochtendgymnastiek op de radio inleidde. Regisseur Peter te Nuyl en acteur Krijn ter Braak die J.J. Voskuils zevendelige romancyclus Het Bureau bewerkten voor de radio, gebruiken dit vertrouwde radiogeluid als achtergrond in een van de eerste afleveringen van het hoorspel. Het klinkt ouderwets. Als luisteraar zit je meteen in de sfeer van de jaren vijftig, de periode waarin Meneer Beerta, deel I van Het Bureau, speelt. De 31-jarige ex-leraar Maarten Koning, getrouwd met Nicolien, krijgt in 1957 een baan aangeboden als wetenschappelijk ambtenaar op dat Bureau, het Amsterdamse Instituut voor Dialectologie, Volks- en Naamkunde, het huidige P.J. Meertensinstituut.

In de eerste vijf afleveringen van het hoorspel dat sinds maandag een kwartier per werkdag wordt uitgezonden, volgen we Maartens kennismaking met het bureau. We horen zijn bizarre sollicitatiegesprek met de directeur, meneer Beerta. We worden deelgenoot van Maartens verbijstering gedurende de eerste werkdagen op het instituut, dat door louter krankzinnigen wordt bevolkt en waar van een cum laude afgestudeerde neerlandicus wordt verwacht dat hij onderzoek doet naar kabouters.

Zouden liefhebbers van Voskuils romancyclus in de hoorspelserie kunnen herkennen wat die boeken zo fascinerend maakt? En zou het hoorspel aantrekkelijk of zelfs maar begrijpelijk zijn voor mensen die de boeken niet gelezen hebben? Met die twee vragen in het achterhoofd ben ik gaan luisteren. Het antwoord is twee keer ja. Ik hoorde de eerste vijf afleveringen en nog vijf die in de jaren zestig en zeventig spelen. Ze zijn zo onweerstaanbaar geestig en excellent geacteerd dat ze gemakkelijk op eigen benen kunnen staan. Zelfs wie nooit een letter van Het Bureau heeft gelezen, of wie het hoorspel niet volgt maar er per ongeluk in binnenvalt, zal blijven luisteren. Iedere aflevering op zich is een klein kunstwerk, dat per stuk genoten kan worden.

De bewonderaars van de romans zullen niet alleen herkenning van de vertrouwde, dierbaar geworden personages ondervinden, maar ook nieuwe ontdekkingen doen. Ik las Meneer Beerta, evenals alle zes volgende delen, direct na verschijning. Ik dacht dat ik de boeken wel zo'n beetje in mijn hoofd had zitten, maar al bij de eerste aflevering van het hoorspel merkte ik hoeveel details reeds waren weggezakt die nu weer worden opgefrist.

Op mijn eigen `bureau', de redactielokalen van deze krant, zijn veel redacteuren jarenlang `in Voskuil' geweest. Sommige liefhebbers spraken met elkaar in one-liners die alleen voor lezers van Het Bureau te begrijpen waren. Ik speelde bij voorkeur mijn lievelingspersonage Nicolien, de licht hysterische links-radicale vrouw van de bedaagde Maarten. Bij het luisteren kun je een nieuw spel spelen: klopt de Nicolien van de radio met de jouwe? Ze wordt in het hoorspel vertolkt door Yvonne van den Hurk. Zij is mij niet krankzinnig genoeg. Waarschijnlijk heeft dit te maken met de interpretatie van de regisseur. Voskuil vertelde in de VPRO-gids dat er een groot verschil bestaat tussen de Maarten Koning die Krijn ter Braak neerzet en de Maarten zoals hij, zijn schepper, hem zelf ziet. En hoewel ik Ter Braak, die verreweg het meest aan het woord is in het hoorspel, van grote klasse vind, snap ik wat Voskuil bedoelt. Al in de eerste afleveringen maakt hij van Voskuils alter ego een opvliegende autoritaire figuur, terwijl hij in het boek juist een rationele, verlegen persoonlijkheid is. Nicolien is de onredelijke, opvliegende ruziezoekster in dit huwelijk.

Maar in het hoorspel lijkt Nicolien soms redelijk en is Maarten een schreeuwlelijk. Een voorbeeld. Maarten overweegt de baan die Beerta hem heeft aangeboden, te accepteren. Nicolien is er tegen dat haar man een baan krijgt, zeker een baan in de wetenschap waarvan ze denkt dat Maarten die net zozeer verafschuwt als zijzelf. Ze zegt tegen de arme drommel (zelf wil Maarten natuurlijk ook liever thuis zitten dan werken, maar ja brood op de plank): `Ik dacht dat je ook de pest aan de wetenschap had.' Yvonne van den Hurk legt in dit zinnetje de nadruk op het woord wetenschap, terwijl iedere Nicolien-kenner weet dat het accent hier op `ook' hoort te liggen. Dus niet: ik dacht dat je ook tegen de wetenschap bent, maar: ik dacht dat je ook [net als ik] tegen de wetenschap bent. Wat volgt is een voor beide echtelieden typerende ruzie. Maarten antwoordt dat hij niet de pest heeft aan wetenschap, maar aan mensen die daar status aan ontlenen. Nicolien zegt dan: `Je hoeft niet zo te schreeuwen!' En Voskuil schrijft vervolgens:

`Hij bedwong zich. ,,Ik schreeuw niet.'' Hij voelde zich door haar woorden in het nauw gedreven en zag geen uitweg. ,,Ik vraag je toch alleen wat?'' ,,Wat moet ik dan worden? Weer leraar? Wat dan?'' ,,Nou schreeuw je weer!'' ,,Wat dan?'' herhaalde hij met overdreven kalmte.'

In interviews hebben de makers van het hoorspel gezegd dat ze Voskuils zinnen die buiten de dialogen vallen als regieaanwijzingen hebben gebruikt. Maar Krijn ter Braak bedwingt zich helemaal niet in deze dialoog, is volstrekt niet kalm. Hij schreeuwt écht, waardoor Nicoliens idiote verwijten als volkomen redelijk overkomen.

Maar dat zijn toch kleinigheden. Er staat zoveel tegenover dat perfect getroffen is. Vooral meneer Beerta, vertolkt door Joop Keesmaat, is meesterlijk. Iedere zin die hij uitspreekt wekt de lachlust op. Waarschijnlijk heeft hij Beerta iets nichteriger gemaakt dan Piet Meertens in werkelijkheid was – deftige homo's praatten voor de homobevrijding van de jaren zeventig niet zo aanstellerig als Keesmaat – maar wat dankzij deze anachronistische benadering wel goed duidelijk wordt, is dat de directeur van het bureau een man is die vergeefs zijn homoseksualiteit probeert te verbergen. Ik verheug me nu al op de afleveringen waarin Beerta na diens hersenbloeding in een verpleeghuis zit en nauwelijks verstaanbaar oneerbare voorstellen doet als Maarten hem bezoekt: `Zja zje mee na bezj?'

Groots is ook de acteursprestatie die Gerardjan Rijnders in het hoorspel levert. Hij speelt de schizofrene vriend van Maarten en Nicolien, Frans Veen. Ik hoorde hem in een aflevering die zich afspeelt in 1962. Frans maakt een wandeling met Maarten en Nicolien. Ze bestuderen vogels en Frans vertelt dat hij zich wil laten opnemen in een psychiatrische inrichting. De Voskuillezer leert Frans Veen nog beter kennen dankzij Rijnders.

Uit de reeks afleveringen over de jaren zestig en zeventig blijkt welke meerwaarde het hoorspel oplevert. Neem het bezoek dat Beerta en Maarten in 1964 brengen aan hun Antwerpse collega prof. Staaf Pieters, waarin heerlijk vet authentiek Vlaams wordt gesproken. Pieters toont na een voor Maarten veel te copieuze lunch trots een bandrecorder waarmee hij zijn bijna 96 jaar oude vader heeft opgenomen. In het boek staat: `Uit de kleine luidspreker kwam met enig gekraak de stem van een oude man. Hij sprak enige zinnen in een dialect waarin Maarten slechts een enkel woord enigszins herkende, ook omdat de man die daar sprak waarschijnlijk geen tanden of anders een slecht zittend kunstgebit had.' Ik kon me die scène niet meer herinneren. Maar in het hoorspel krijg je het rochelende seniele gebrabbel een minuut lang te horen. Dan wordt de wild enthousiaste manier waarop Beerta op deze vernieuwende methode om onderzoek te doen naar oude volksgebruiken nog hilarischer dan in het boek: het is volstrekt duidelijk dat de charmante poseur Beerta ook zelf geen syllabe heeft verstaan.

Gierend van de lach heb ik ook een aflevering beluisterd waarin Maarten in 1971, samen met twee collega's van het bureau naar Drente afreist, waar ze onder leiding van boer Boesman (volgens Maarten vast en zeker fout geweest in de oorlog) in Drents dialect een cursus `maaien met de zeis' krijgen.

Overigens had ik uit interviews begrepen dat alleen de dialogen in het hoorspel zouden worden verwerkt. Dat klopt gelukkig niet. Ook de monologen van Maarten, zijn dromen en reflecties, komen aan bod. Van de reeks opnames over de jaren zestig hoorde ik een deel waarin Maarten in zijn dagboek verwoordt waarom hij schrijft. Hij schrijft tegen de angst. `Angst is dat je niets meer hoort en ziet dan jezelf, en aangezien daaraan een eind moet komen, moet je jezelf binnenste buiten keren.' Het is een sleutelpassage in Het Bureau waarin Voskuils poëtica vervat is. Krijn ter Braak leest het als één lange monoloog en valt daarin compleet samen met Maarten Koning. Een topaflevering, schitterend.

Het enige wat me niet bevalt aan Het Bureau op de radio zijn de tijdstippen van uitzending: van 12.45 tot 13.00 uur op 747AM met een herhaling op dezelfde zender om 16.45 en, opnieuw als herhaling, om 0.45 op Radio 1. Ik zou willen dat Radio 1 het uitzond, op het tijdstip waarop vroeger de ochtendgymnastiek klonk, zodat iedereen er thuis, in de file of in trein naar kan luisteren. In plaats van Ab Goubitz zouden we dan na het nieuws van acht uur de tune van Het Bureau krijgen. Volgens Peter te Nuyl is die herkenningsmelodie een door Voskuil geliefd nummer van Jimmy Scott in de bewerking van Sydney Bechet, maar in mijn beleving is het 't begin van Bessie Smith' `Nobody knows you when you're down and out' – precies het gevoel van waaruit Voskuil zijn meesterwerk heeft geschreven.

Het liefst zou ik hebben dat van het hele hoorspel, 360 afleveringen in totaal, een cd wordt gemaakt, geschikt om te beluisteren op lange reizen. Zolang zo'n cd er niet is, moeten mensen die niet dagelijks de avonturen van Maarten Koning op de radio kunnen beluisteren, zich behelpen met internet (www.hoorspelhetbureau.nl). Ze kunnen dat makkelijk op hun bureau, kantoor of redactie in de tijd van hun baas stiekem doen. Maarten Koning zou dat als chef van zijn afdeling ten strengste hebben afgekeurd, maar de website van de hoorspelserie, compleet met beschrijvingen van de personages en een overzicht van contemporaine gebeurtenissen buiten het bureau, zou hij beslist `mieters' vinden.