`Ik hou niet van stormen'

De Noorse schrijver Lars Saabye Christensen kreeg voor de spiegel het idee voor een roman over een jongen die zijn haren verliest. ,,Mijn Herman is een overwinnaar.''

In 1988 schreef Lars Saabye Christensen (1953), wiens succesroman De halfbroer bij een op de vier Noren in de kast staat, de roman Herman. Het idee voor deze roman kwam voort uit een blik die Christensen in de spiegel wierp. Daarin zag hij zijn kale hoofd en hij vroeg zich af: ,,Stel dat ik op mijn negende, tiende zo kaal was geworden, hoe was het dan met me afgelopen en wat had dat voor mijn leven betekend?''

Om dat proces te analyseren schreef hij Herman, dat gaat over een jongen die zijn haren verliest. Natuurlijk is dit tevens een overdrachtelijk beeld: het verlies van haren of wilde haren betekent ook dat iemand zijn jeugd verliest, het elan van onstuimigheid kwijtraakt. En een vitale vorm van onstuimigheid is een van de kenmerken van Christensens personages, en ook van zijn stijl. Hij is enkele dagen in Amsterdam met tussendoor een optreden voor de leesclub van Hardenberg. In de foyer van het Okura Hotel zegt hij: ,,Ik vind die bijeenkomsten een goede zaak. Mensen lezen samen een boek, praten erover en als het kan nodigen ze de auteur uit. Een van de eerste vragen die ik krijg is hoe autobiografisch mijn boeken zijn, vooral De halfbroer. Ik antwoord met klem `Nee, ze zijn niet autobiografisch', maar dat leidt tot teleurgestelde reacties.''

Zo onstuitbaar als Christensen in zijn boeken vertelt, zo terughoudend is hij tijdens een gesprek. Hij kijkt opzij en zoekt tastend naar formuleringen. Voor Herman was de song `What Makes The Irish Heart Beat' door Van Morisson op het album Down the Road van cruciaal belang. Christensen luisterde er niet `tijdens het schrijven naar, maar tussendoor'. Het is een episch lied over een zwervende jongeman die in bars dobbelt en net zolang wacht tot `vrouwe geluk hem roept'. De strekking van het lied komt overeen met de vaak doelloze, rusteloze omzwervingen van Herman.

Temperatuur

Christensen: ,,Voor mij zijn het ritme van een tekst, de temperatuur en atmosfeer van taal van wezenlijke betekenis. Mijn eerste boek heette Beatles en ging over vier jongens uit Oslo die ervan droomden in de stad muziek van hun helden te spelen. Het boek speelt zich af in de jaren zestig, net zoals Herman. Die tijd is me vertrouwd. In die tijd veranderde er veel in Oslo. Oude gebouwen werden afgebroken en nieuwe hoogbouw van glas en staal verrees. Ik herinner me veel bouwputten. Herman dwaalt door een stad die wel gebombardeerd lijkt, zo vol ruïnes is het om hem heen. Ik ben, in tegenstelling tot veel Scandinavische auteurs, geen schrijver van stormen waaien om rotsen en desolate landschappen. De stad is mijn plek en die stad heet Oslo.''

Christensen noemt Herman de andere halfbroer van Barnum, de hoofdpersoon uit zijn succesboek. Barnum is schrijver van filmscripts, een bezigheid waaraan Christensen zich de laatste tijd heeft gewijd. Toch heeft hij ook een nieuw boek voltooid, Monniksbloemfamilie. ,,Mijn boeken zijn niet autobiografisch, maar ik kan wel vertellen wáár het mij om gaat. Vanaf mijn vroegste jeugd wilde ik verhalen schrijven. Dat waren vaak korte schetsen, want 's avonds wilde ik zien wat ik die dag had voltooid. Als je jong bent, ben je ongeduldig. Ik zoek naar iets unieks, een stijl die bij mijn weten in de Noorse literatuur niet bestaat. Ik combineer een realistisch verhaal met poëtische woordkeuze. Daarbij voeg ik, naar ik hoop, interessante karakters. Bij veel boeken zie je dat slechts aan een van die drie aspecten wordt voldaan. Of de karakters zijn niet interessant en het verhaal wel; of de taal is prachtig maar het verhaal te licht.''

Met Herman vond Christensen een specifieke, fysiek-barokke stijl. Hij introduceert Herman op bijna tastbare wijze: `Herman legt zijn hoofd in zijn nek en kijkt omhoog naar de boom, waarvan de bladeren geel en rood zijn en al aardig loszitten. Door de dunne, zwarte takken heen ziet hij de hemel, waar de wolken alle kanten op stuiven. Hij wordt een beetje duizelig als hij zo staat, het is alsof hij zelf er in vliegende vaart vandoor gaat.' Die laatste waarneming, `in vliegende vaart' ervandoor gaan, geldt in sterke mate voor Herman. Hij is, zoals kinderen rond tien jaar dat zijn, een kluwen van onrust. ,,Het bijzondere aan deze Herman is het geluk dat hij vindt bij zijn grootouders'', aldus Christensen. ,,Hij bewaart distantie tot zijn ouders. Zijn vader is torenkraanmachinist en bevindt zich op grote hoogte in een cabine van glas. Herman durft hem in die kraan niet op te zoeken, pas helemaal aan het einde van het boek heeft hij daartoe de moed. Zijn grootouders geven hem als kind de waardigheid, waarnaar hij op zoek is. Het is ook geen makkelijke jongen. Hij heeft last van paranoia, telkens voelt hij ogen in zijn rug die hem aanstaren. Dat komt door zijn uiterlijk. Bovendien past onzekerheid bij die leeftijd.''

Miereneter

Herman kent tal van surrealistische passages. Wanneer de moeder hoest bijvoorbeeld doen de treinen van het station vreemd en begint het water in de haven te golven. Hij is er niet de auteur naar om een langzame aanloop te nemen, meteen opent hij zijn grillige register. Wanneer Herman in het stadspark een blaadje van een boom ziet dwarrelen, vergelijkt hij dat met een `lek goudvinkje'. De wind laat het blad verder drijven, totdat het Hermans mond bereikt. Herman `blijft abrupt staan, spert zijn mond wagenwijd open en vangt het blad daarin op, met de precisie van een hongerige miereneter'.

Ik keek vreemd op van deze vergelijking en probeerde het me voor te stellen. Een miereneter heeft een spitse snuit en een lange, kleverige tong waarmee hij mieren- en termietennesten omwoelt. Hoe kan dit beest, dat alleen in Midden- en Zuid-Amerika leeft, met `precisie' een blad uit de lucht vangen? Christensen is niet geheel voorbereid op deze vraag. ,,Als ik een miereneter voor me zie, dan heeft hij zo'n slurf waarmee hij zoiets als een blad uit de lucht kan vangen. Maar misschien had ik accurater met dit beeld moeten zijn. In elk geval ligt het perspectief van de roman helemaal bij de kleine Herman. Misschien heeft hij eens in de dierentuin een miereneter gezien en moet hij daar plots aan denken.''

De roman eindigt met een beeld dat in de Nederlandse literatuur `kosmische zelfvergroting' heet. Het betekent dat een dichter of romanpersonage geheel opgaat in de wereld. De poëzie van Marsman is daarvan een goed voorbeeld. Christensen gebruikt het ook. Herman zet een pruik op om de glanzende kaalheid van zijn schedel te verbergen en verlaat het huis van zijn ouders. Als hij in de spiegel kijkt, zegt hij: `Herman is Herman en niemand anders. Wis en waarachtig!' Het is een mooie scène vol trots en aanvaarding, die getuigt van verlangen een geheel te worden met de omgeving. Herman heeft zichzelf gevonden, nu kan zijn levensreis beginnen. De roman eindigt met de zinnen: `Herman loopt verder. Hij weet niet precies waar hij naartoe gaat. Daarom blijft hij doorlopen.'

Christensen zget: ,,Ik wilde Herman niet laten verliezen. Hij is door zijn ouders, schoolmeesters en vrienden op de proef gesteld en nu gaat hij vol goede moed de wereld verkennen. Net als Barnum uit De halfbroer is Herman de overwinnaar. Hoeveel tegenslag ze ook krijgen, ze laten zich niet uit het veld slaan. Daarom draaide ik voordat ik begon te schrijven Irish Heart van Morrison. Daaruit spreekt dezelfde levenswil, al moet je nog zo lang wachten op het geluk.''

Las Saabye Christensen: Herman. Uit het Noors vertaald door Paula Stevens. De Geus, 254 blz. €18,90