Hij ziet zichzelf zitten

`Moest een roman niet direct oprijzen uit je gevoel? Misschien moest ik het meer in die richting zoeken. Ja, zei ik tegen mezelf, je moet je werk een geheel andere richting in laten slaan.'

Aldus besluit de hoofdpersoon van Gevoel, de vijfde roman van Arie Storm (1963), een gedachtegang op pagina 108 – het volledige citaat is hiernaast afgedrukt. Vier bladzijden verder staat deze redenering nog een keer. En in wat minder woorden vinden we hem ook op pagina 130 terug. Daarmee is de observatie over het inslaan van een nieuwe literaire weg door de verteller een van de minder vaak herhaalde gebeurtenissen in Gevoel. Want in deze roman worden zo veel dingen zo vaak opnieuw gezegd dat je onwillekeurig moet denken aan de komische televisieserie `Allo Allo', waarin de vertegenwoordiger van het verzet in bezet Frankrijk haar uiteenzettingen iedere keer opnieuw begon met: `Listen very carefully. I shall say this only once.' Het effect is ook vergelijkbaar: tot je verbazing, en met tegenzin, moet je grinniken.

Gevoel, dus. De eerste vraag die je je moest stellen als de hoofdpersoon in een roman van Arie Storm iets over het schrijverschap beweert, is of je die opmerking serieus moet nemen. Want Storm heeft zich in zijn vorige romans gespecialiseerd in een spel met poëticale beschouwingen (zijn `cursus Enquist-proza' uit De ongeborene is de bekendste). Hij steekt er de draak mee, maar hij kan ze even gemakkelijk op zo'n manier toepassen (bijvoorbeeld in Afgunst, zijn vorige roman) dat je niet weet of je een parodie aan het lezen bent, of dat de schrijver zijn ironie inmiddels heeft laten varen. Hoe dan ook, er zijn aanwijzingen dat de hoofdpersoon uit Gevoel veel gemeen heeft met zijn schepper. Hij woont in De Pijp in Amsterdam, met vrouw en dochtertje in een te klein huis, schrijft boeken die veel aan het werk van Arie Storm doen denken en bewondert Nabokov en Van der Heijden. En hij heet Arie Storm.

De virtuoze manier waarop Storm de literatuur op lijkt te vatten als één groot (voor wie wil: postmodern) spel, is tegelijkertijd de kracht en de zwakte van zijn schrijverschap. Want hoe aangenaam leesbaar Storms spel ook voor de dag mag komen, literatuur is een serieuze zaak. Daarom ben je geneigd om de `koerswijziging' van Storm, weg van het spel, te willen geloven, zodat hij zijn lezers en zichzelf eens écht pijn kan doen.

Pierebadje

Verder dan willen geloven kom je in eerste instantie niet, omdat je weet dat alles bij Storm altijd weer naar zichzelf verwijst. De parodie blijft op de loer liggen. Alles kan een schijnbeweging blijken. Zoals ook Herman Brusselmans al twintig jaar in ieder boek een schijnbeweging maakt, alsof alles nu anders wordt en hij zich naar de buitenwereld zal keren – waarna hij onveranderd terugkeert naar zichzelf.

Het verhaal in Gevoel heeft niet veel om het lijf. De hoofdpersoon (Arie Storm) meent op een zomermiddag bij het pierebadje in het Amsterdamse Beatrixpark een `aanwezigheid' in zijn hoofd te voelen, iets of iemand dat hem afleidt. Vijfentwintig pagina's blijft die `aanwezigheid' onbenoemd, dan geeft Storm met wat typerende omwegen de identiteit ervan prijs: `Het was mijn vader, de aanwezigheid die ik in het Beatrixpark had gevoeld was niemand anders geweest dan mijn vader, die, en wat dat betreft klopte het dus wel, zo bedacht ik, nog niet zo lang geleden, om precies te zijn een week, was overleden.' De rest van het boek is gevuld met schoorvoetende herinneringen aan de vader en aan de eerste dagen na diens dood, ingebed in het verslag van een doorwaakte nacht, een tochtje naar het strand en een verblijf in het huis van zijn uitgeefster in Haarlem. Intussen speelt Storm weer bij het leven, door pagina's tekst uit zijn debuut (toevallig net herdrukt in het tegelijk met Gevoel verschenen Het vroege werk) nagenoeg te kopiëren, links en rechts te verwijzen en de toon van het boek overeen te laten stemmen met dat van het commentaar van een sportwedstrijd – de kern van de relatie met zijn vader indachtig.

Nu is schrijven over een dode vader nog niet meteen schrijven vanuit je gevoel, maar gevoel zit er in ieder geval in de beschrijving van hoe Storm het nieuws aan zijn dochtertje vertelt: `,,Opa is dood,'' zei ik. ,,Welke opa?'' vroeg mijn dochtertje. ,,De opa die je niet zo goed kent,'' zei ik.'

De opa die je niet zo goed kent. Dat is het soort zin dat je tijdens het lezen blijft achtervolgen, hoewel het een van de weinige observaties is die Storm niet herhaalt. Het vervolg bedenk je er vanzelf bij: de opa die je ook niet zo goed zult leren kennen. De vader die ik niet zo goed kende.

Want van een relatie tussen vader en zoon blijkt nagenoeg geen sprake te zijn geweest. Vader was een zuiplap met een stille liefde voor pornoblaadjes die een blad voor damsporters bestierde (Wit begint), maar die zelf niet goed kon dammen. Voor zijn zoon en diens gezin toonde hij even weinig belangstelling als zijn zoon voor hem toonde, dus spraken ze elkaar nooit. De herinneringen van zoon aan vader behelzen het bekijken van sportuitzendingen. Het gezicht van vader Storm was `vrij nietszeggend', zijn zoon bekent `geen mening' over hem gehad te hebben. Er was te weinig om te haten en te weinig om lief te hebben. Er was, kortom, geen gevoel.

Toch is er die `aanwezigheid' en de verlorenheid van de hoofdpersoon, die nauwelijks slaapt en zich met de afwezigheid van verdriet geen raad weet. Als hij zijn moeder belt, kan hij niet veel meer uitbrengen dan `sorry' of van een blaadje vragen voorlezen als: `Hebben papa en ik in de winter ooit iets samen op het strand gedaan?' Wat overblijft van deze vader-zoonrelatie is een handvol anekdotes over sport: een mooie dialoog die vrijwel geheel bestaat uit namen van voetballers, de herinnering aan de Europacupfinale van 1970 en het verhaal over hoe de slaapwandelende Arie Storm dacht dat hij schaatser Ard Schenk was, waarna zijn vader maar deed of hij schaatscoach Leen Pfrommer was (`het was een goede race, Ard') om zijn zoontje terug in bed te krijgen.

Verdriet

Dat is natuurlijk niet genoeg. Dus belandt de hoofdpersoon van Gevoel in een crisis. Pas als hij zijn belevenissen opschrijft en zichzelf zo het domein van de fictie binnenleidt, wordt hij bedroefd: `Ik schreef weliswaar snel, maar tegelijkertijd schreef ik mezelf naar een toestand waarin ik ontvankelijk was voor verdriet. Ik begreep dat dit verdriet al heel lang in me had gezeten en dat het nu naar buiten kwam. Ik treurde om mijn overleden vader en ik begreep niet zo goed waaróm ik om hem treurde. Ik vertrouwde mezelf niet. Ik wantrouwde mijn gevoelens en mijn motieven. Ik wist niet of ze wel echt waren.'

Precies, denk je dan: dat heb ik nu ook altijd met Arie Storm. Maar er rest nog een vreemde scène. Op de laatste bladzijden wordt Arie Storm, terwijl hij in het Haarlemse huis van zijn uitgeefster aan zijn boek werkt, gekweld door een spiedende overbuurman. Hij denkt dat het zijn vader is. Uiteindelijk laat deze overbuurman hem binnen en kan hij door het raam naar het huis van zijn uitgeefster kijken. Daar ziet hij, uiteraard, zichzelf zitten. Het is het moment, aan het eind van het boek, waarop je verwacht dat Storm de hele geleidelijk opgeblazen gevoelsballon met een ironiserende speldenprik zal laten ontploffen. Dat gebeurt echter niet. Storm zet alles juist nog eens extra aan met de zin: `Hij schrijft daar net zo lang door tot hij op een fatsoenlijke manier afscheid van zijn vader heeft genomen.' Alles kan een spel zijn, en Arie Storm zou dit tafereel zeker wantrouwen, maar ik maak me sterk dat het in dit geval bittere ernst is.

En waarom? Dat is uiteindelijk, tja, een gevoel.

Arie Storm: Gevoel. Prometheus, 176 blz. €15,–