Hier ben ik, het geluk

Op verzoek van twee actrices maakte dichter en schrijver Toon Tellegen een toneelstuk, over een man die verdrinkt en twee toekijkende vrouwen. Tellegen aarzelde: ,,Ik denk niet in conflicten.''

Twee vrouwen lopen door een afgelegen bos, ze dragen een picknickmand mee. De vogels zingen, de rivier ruist. Ze stromen over van geluk. Hun leven is een pure idylle. Zij heten eenvoudig de ene en de andere vrouw, met kleine letters. Het zijn personages uit het toneelstuk Omstanders dat dichter, kinderboekenschrijver en prozaïst Toon Tellegen (Den Briel, 1941) heeft geschreven in samenwerking met de Toneelschuur uit Haarlem.

Maar is het wel een toneelstuk? Is het niet eerder de gedramatiseerde versie van het volgende gedicht, dat ten grondslag ligt aan Omstanders? Het vers gaat zo:

Het was een mooie dag, de zon scheen

ze vlijden zich neer op het gras onder een wilg

aan de oever van de rivier

waarin iemand nog één keer riep, nog één keer bovenkwam

en toen verdronken was

ze sloegen hun armen om elkaar heen en schaamden zich

schaamden zich diep

nooit schaamden twee vrouwen zich zo diep

als die twee vrouwen toen.

Een mooi gedicht. Helder en ook mysterieus. De lezer vraagt zich van alles af: waarom redden beide vrouwen de man niet? Wie is die man? En natuurlijk is er ook de vraag of van dit subtiele vers vol verrassende wendingen in taal wel een toneelstuk gemaakt moet worden. In de theaterzaal gaat er misschien veel van de ongrijpbaarheid en het raadsel verloren.

Tellegens toneelstuk Omstanders kent een lange en interessante ontstaansgeschiedenis, die loopt van gedicht via verhaal naar drama. Het begon in 2000 met de opvoering van het ontroerende prozaboek Twee oude vrouwtjes (1995) in Haarlem door actrices Ria Eimers en Carla Mulder in de regie van Lidwien Roothaan. Ze noemden het Spes bona ofwel Hoop op het goede. Toon Tellegen kwam kijken en was verrast zijn miniaturen over twee oude vrouwen, die zoveel van elkaar houden `dat zij er ongelukkig van werden', als toneelvoorstelling te zien. Na afloop raakte hij met de speelsters in gesprek en al snel ontstond bij hen de vurige wens of Tellegen een stuk wilde schrijven. De auteur antwoordde: ,,Nee, ik doe het niet. Ik kan dat niet.''

De actrices volhardden en Tellegen sprak met hen af om eens in de twee maanden bij elkaar te komen in de Brasserie op het Centraal Station in Amsterdam. Ze dronken wijn of bier en praatten over het toneelstuk `dat er toch nooit zou komen', aldus Tellegen. Ria Eimers herinnert zich dat een van de eerste gesprekken ging over het neerslaan of zelfs doden van mensen op straat, zomaar, zinloos en zonder aanleiding. Toon Tellegen maakte aantekeningen, ging naar huis en schreef een gedicht of een verhaal. Dat las hij de volgende keer voor.

Kleinzoon

,,De verhalen voor volwassenen en ook de dierenverhalen over eekhoorn, mier en krekel die ik schrijf, zijn vrij eenvoudig. Er gebeurt eigenlijk heel weinig'', zegt Toon Tellegen. ,,Ik kan geen drama schrijven. Omstanders is dan ook meer vertelling dan toneelstuk, vind ik. Mijn lievelingsschrijver is Tsjechov, die zal ik altijd herlezen. Ik heb eens aan Ria Eimers en Carla Mulder gevraagd of een toneelstuk altijd de aanwijzingen `hij zegt' en `zij zegt' in de linker kantlijn heeft. Zij bevestigden dat. Voor mij is het belangrijkste aan literatuur het vertellen van verhalen, zoals ik dat doe in mijn boek De trein naar Pavlovsk en Oostvoorne. Daarin laat ik mijn in Rusland geboren grootvader aan het woord. De kleinzoon uit het boek wil alles van hem weten. Deze man vertegenwoordigt voor hem een mysterie dat hij al luisterend wil doorgronden. Zijn Russische grootvader schreef gedichten die gingen over `God, de hemel en de dood'. Gedichten zijn ervoor, zoals hij zei, om ergens achter te komen. Dat vind ik nog steeds een goede omschrijving van literatuur, of het nu poëzie is, proza of een toneelstuk.''

Het is een maandagmiddag. In de Studio van de Toneelschuur heeft Toon Tellegen zojuist de gespeelde tekst van Omstanders gezien. Hij kijkt er met verwondering naar. Niet alleen de tekst, ook het spel en decor hebben aanvankelijk iets sprookjesachtigs. Een omhoog golvende, groene speelvloer van houten latten verbeeldt het bos. Uit luidsprekers klinkt gefluit van zangvogels. Componist Raymund van Santen schreef een partituur met veel blaasinstrumenten, zoals Engelse hoorn, hobo en klarinet. Dankzij de regelmatig terugkerende `geluksmelodie' ontstaat er een pastorale sfeer die meteen een zonovergoten dag in een groot bos oproept.

Aan de twee vrouwen is een derde speler toegevoegd, Joep Onderdelinden als de man, de drenkeling. Hij is ook de alwetende verteller, een ongewone rol in het theater. Want Tellegen heeft nog steeds geen echt toneelstuk geschreven, het is wederom een genre tussen gedicht of verhaal en drama in. Onderdelinden neemt zinswendingen in de mond als: `De ene vrouw zegt dat geluk in feite, hoe moet ik het zeggen, iets moois heeft' en `De andere vrouw beaamt dat'. Met koele stem drukt hij de emoties van de vrouwen uit. Hier is poëtisch proza omgesmeed tot een bijzondere, dichterlijke toneeltaal.

Na afloop zegt Tellegen: ,,Ik ben misschien wel terughoudend als het over het schrijven van toneel gaat, dat komt omdat ik niet denk in conflicten. Ik moet toegeven dat ik weleens toneel heb geschreven, kluchten bijvoorbeeld voor de school van mijn kinderen. Ik houd erg van de Griekse satirische toneelschrijver Aristofanes, die mij met stukken als De kikkers en Vrouwenstaking heeft geïnspireerd. In mijn studententijd maakte ik voor het lustrum van de vereniging het stuk Jimmy Walker, samen met een andere student. We woonden toen in Utrecht en reisden naar Amsterdam om bij de bekende regisseur Johan de Meester inlichtingen in te winnen hoe je zoiets moest doen. We spraken af in café Schiller. Als je terugkijkt was het bijzonder dat hij de tijd nam twee studenten in de medicijnen te helpen bij een toneeluitvoering.

,,In mijn hoedanigheid als huisarts voor een bejaardentehuis liet ik door het personeel avondvullende toneelstukken opvoeren. Een daarvan heette Zorro, word wakker! Dat ging over een man die nooit kon ontwaken, al zette je de mooiste vrouwen naast zijn bed of schoot je kanonnen af. Dit zijn natuurlijk gelegenheidsstukken. Omstanders is van een andere orde. Als ik schrijf zie ik geen verschillende karakters voor me. Van deze twee wat oudere vrouwen hoor ik hun stemmen. Ik beluister in mijn hoofd hun manier van praten. Dat noteer ik. De figuren zijn echter inwisselbaar, althans, in mijn gedachten. Nu zie ik bij deze nog prille voorvertoning opeens spelers in levenden lijve. Mijn taal is gesproken en gespeelde tekst geworden. Dat is een bijzondere ervaring. Toen ik schreef waren het voor mij abstracte personen die filosofisch getinte gesprekken voerden over geluk, de bedreiging van geluk en of je een verdrinkende man wel of niet moet redden. Zijn lot maakt het geluk van de vrouwen ingewikkeld. Ze moeten iets ondernemen maar denken zo lang na, dat het de man fataal wordt.''

Oorspronkelijk bestaat Omstanders uit twaalf korte schetsen, die na tal van ontmoetingen en voorleesavonden in de Brasserie uiteindelijk dit samenhangende toneelstuk zijn geworden. Lidwien Roothaan heeft thuis een stapel versies liggen. Het uiteindelijke script is gedateerd `25/3/04', nauwelijks drie weken voor de première. Ze zegt: ,,Van begin af aan stond vast dat er een nieuw personage bij moest. We wilden de vorm van Twee oude vrouwtjes niet herhalen. Een derde figuur zorgt voor het conflict. Kijk maar eens naar de toneelstukken van Harold Pinter. Op een avond krijgt een gelukkig echtpaar bezoek. Hij is het derde personage, de indringer. Aan het eind van de avond is het huwelijk kapot. Dit indringer-motief is ook van toepassing op Omstanders. Door de komst van de man ontstaat het drama.''

Overdrijven

Voor Lidwien Roothaan was het dramatiseren van Tellegens proza `delicaat en secuur' werk. ,,We willen de voorstelling helder, eenvoudig en licht houden'', zegt ze, terugkijkend op de tijd van herschrijven, rangschikken van de tekstfragmenten, oefenen. ,,Dat zou het meeste recht doen aan de tekst. Maar voordat je die lichtheid vindt, moet je als toneelspelers eerst gaan overdrijven en accenten leggen om juist het tegenovergestelde te ontdekken: de zware, dramatische spanning van een tekst. Pas dan kun je gaan versoberen en met minimale middelen de verbeelding van de toeschouwer aanspreken. Het is onmogelijk meteen met niets te beginnen. We hebben naar een manier gezocht om een theatervoorstelling te maken naar aanleiding van een verhaal vol poëtische wendingen dat zo goed als stilstaat.''

De gangbare, kortste definitie van toneel luidt: toneel is conflict, ruzie, strijd. Je hebt liefdes- en huwelijkstragedies, vader-zoon-drama's als Oidipous en een vader-zoon-moeder-drama zoals Hamlet. In Medea doodt een moeder uit jaloezie haar kinderen. Enzovoort. Voorbeelden van grote treurspelen die door de eeuwen heen nog altijd worden geschreven. Maar dan door auteurs als August Strindberg, Harold Pinter, Lars Norén en Xavier Kroetz om slechts enkelen te noemen. Hun stukken worden gedragen door het conflict, uitgedrukt in de dialoog. Precies zoals Tellegen het zich afvraagt: ,,Is het toneel als er staat `hij zegt' en `zij zegt'?''

En nu staan er in Omstanders drie spelers die nagenoeg geen dialoog hebben, nauwelijks conflict en al helemaal geen ruzie. Allesbehalve een psychologisch drama dus over een driehoeksverhouding. Welk houvast hebben de acteurs dan om hun rol te vertolken? Ria Eimers, die de ene vrouw voor haar rekening neemt, antwoordt: ,,Toon Tellegen schrijft overwegingen, die zijn lastig te spelen. Tijdens de eerste bijeenkomsten kwam inderdaad het zomaar op straat elkaar neerslaan aan de orde. De titel Omstanders heeft daarmee te maken. Wat moet je doen als je getuige bent van zo'n misdrijf? Ik heb eens gezien dat een jongen een andere jongen met een fietsketting te lijf ging en op hem insloeg. We zaten op een terras. Ik was verlamd van angst, dacht: `Nee, alsjeblieft niet... niet waar ik bij ben.' Het verlangen om weg te lopen maar ook de plicht die je hebt om in te grijpen, strijden met elkaar. Je wilt het slachtoffer redden. Als ik speel zoek ik steun bij mijn tegenstrijdige gevoelens tijdens die gebeurtenis.''

Voor Carla Mulder, de andere vrouw, is de tekst van Tellegen misschien niet dramatisch, maar wel het gegeven: ,,In het begin overheerst de lichte blijheid. Over geluk doet Tellegen de mooiste uitspraken. Hij onderscheidt verschillende vormen van geluk: zuiver geluk, onbedreigd geluk en zelfs minderwaardig geluk. Dat is geluk voor mensen die het niet verdienen. Hij personifieert geluk als iemand die aan je deur komt kloppen en die zegt: `Hier ben ik, het geluk.' Er staan treffende observaties in het stuk, als: `Volgens mij houdt geluk niet van mensen' en `Sommige mensen waden door het geluk, maar van hun enkels af zijn ze ongelukkig.' Het drama ontstaat als de verdrinkende man in de rivier om hulp gaat roepen. Dan moeten de vrouwen nadenken, misschien zelfs tot handelen overgaan: wel redden of niet redden, dat is de vraag. Voor een toneelspeler is het spannend die handeling telkens uit te stellen.''

Het is een verrassing voor de acteurs dat toneel heel goed kan gedijen zonder hardnekking uitgevochten conflict. Met peinzend spel, aldoor wegkijkend van elkaar, geven de vrouwen vorm aan hun bedenkingen tegen het redden. Tot voorbeeld een citaat, gezegd door Carla Mulder als de andere vrouw: ,,Als je iemand wilt redden moet je heel goed weten waaraan je begint. Je moet op alle mogelijke misrekeningen en verkeerde inschattingen zijn voorbereid. En je moet altijd in je achterhoofd houden dat er soms niets zo erg is als gered te worden. Te vroeg redden kan levensbedreigend zijn en als het ware als een boemerang de redder treffen. Redbaarheid is geen sinecure.''

Verdrinkende man Joep Onderdelinden stileert het kopje-onder gaan. Achter de hoge rand van de speelvloer is alleen zijn hoofd zichtbaar, dat als het ware voortdrijft over het water, telkens even verdwijnt en weer opkomt. Ook dompelt hij zijn hoofd in een groene emmer die met water is gevuld. De druppels vliegen in het rond. ,,Help!'' roept hij. ,,Red mij.'' De vrouwen zien hem niet, hij staat achter het decor of aan de zijkant. Ze kijken aldoor de andere kant op. Laconiek merkt een van hen op: ,,Maar hoe weten wij zeker dat u dat meent?'' Opeens stapt Onderdelinden uit zijn rol als verdrinkende man en zegt op kalme toon van de verteller: ,,Ze slaan het stof van hun jurk, staan op, gaan naast elkaar aan de rand van het water staan en kijken naar de man.''

De acteurs `treffen elkaar niet', zoals Eimers het uitdrukt. Ze wisselen geen blikken, vermijden oogcontact. Joep Onderdelinden zorgt voor spanning door om hulp te roepen wanneer hij, als acteur, denkt: ,,Nu hebben de dames lang genoeg met elkaar zitten klessebessen, er moet iets gebeuren.''

Voor Onderdelinden is deze man een raadselachtig personage: ,,Je kunt je afvragen wie hij is. God misschien? Of het geluk, de gedroomde man? Het laat de vrouwen koud en hiermee verspelen ze misschien wel het mooiste dat hun leven nog te bieden heeft.''

De vrouwen blijven dadenloos. Ze houden bespiegelingen over de laatste minuten of zelfs seconden van iemands leven. Wat betekent het precies `alles aan je als in een flits of in een film voorbij te zien gaan'? Ze zijn zo brutaal hem zelfs te vragen die flits te beschrijven. In razende vaart, want hij gaat bijna voorgoed kopje-onder, somt de man tientallen beelden op van knikkers tot watersnood, van de zon tot een haven, van sneeuwballen en stuivers. Allemaal herinneringen uit zijn jeugd.

Het gedicht

Carla Mulder zegt: ,,Wanneer de man eenmaal is verdronken, verdwijnt de poëzie uit het stuk. De toon wordt realistisch. Het toneelstuk als gedicht is voorbij.''

Daarmee zijn we terug bij het begin: de taal, het gedicht.

,,Het eerste idee voor een toneelstuk dat Toon Tellegen voor ons wilde schrijven'', legt Ria Eimers uit, ,,zou moeten gaan over een groot boek met de vragen uit het leven die de gewone sterveling graag beantwoord wil zien. Het moest een conflictloze voorstelling worden over de slechtheid maar ook de goedheid van het leven. Maar abstracte begrippen leveren geen toneel op. Een woord als `argwaan' vindt Tellegen een mooi woord. Al schrijvend vraagt hij zich dan af wat argwaan is, waarom mensen argwanend zijn, hij proeft als het ware alle smaken van het woord.''

Tijdens een van die laatste ontmoetingen in de Brasserie wilde Toon Tellegen van de spelers weten of hij nu een toneelstuk had geschreven.

,,Nee, meneer Tellegen, u heeft geen toneelstuk geschreven'', antwoordden de betrokkenen. ,,Maar we gaan het wel spelen.''

Toon Tellegen besluit: ,,Ik bied geen oplossing op de vraag of de vrouwen de man wel of niet hadden moeten redden. Geen antwoord hebben, niet tot handelen kunnen komen, dat is voor mij het drama. Bovendien: wat vermag de mens als de dood besluit iemand niet te redden?''

`Omstanders' door Toon Tellegen. Première: 14/4 Toneelschuur, Haarlem. Tournee t/m 3/6. Inl: 023-5173910 of www.toneelschuur.nl

De boeken van Toon Tellegen verschijnen bij Uitgeverij Querido, www.querido.nl