Gekuiste naaktheid

In opdracht van de gouverneur-generaal van Brazilië, Johan Maurits van Nassau-Siegen, schilderde Albert Eckhout de lokale bevolking. Mensenetende indianen kregen wel een schaamlapje om.

De dans van de Tapuya indianen heet het schilderij. Het is drie meter lang en bijna twee meter hoog. Acht naakte mannen, enkelen getooid met rode veren in hun haar, witte katoenen ringen in het oor, of witte houten stokjes door hun wangen voeren een dans uit. In hun handen houden ze speren en knotsen. Twee vrouwen kijken toe van opzij. Het moet, toen het 350 jaar geleden aan een select Europees publiek werd getoond, grote indruk hebben gemaakt, maar hoe en van welke aard deze was is niet opgetekend. Hooguit heeft een kenner destijds verteld dat de indianen er angstaanjagende kreten bij uitstieten en dat ze die dans wel twee of drie uur konden volhouden.

Het is onwaarschijnlijk dat er op een etnologische manier naar is gekeken. Die discipline bestond nog niet en vermoedelijk vond men het om te lachen en te huiveren tegelijk. Te lachen, omdat men hier over iets ongeciviliseerds kon lachen, zoals de beschaafde burgers zich ook vermaakten over schilderijen van plomp dansende autochtone boeren. Te huiveren omdat de Tapuya bekend stonden als een wilde stam van polygamisten en menseneters. Die huiver wordt nog versterkt door een ander schilderij van een vrijwel naakte Tapuyavrouw. In haar ene hand houdt ze een afgehakte hand, en uit de mand op haar rug steekt een losse voet.

Deze uitzonderlijke schilderijen zijn gemaakt door Albert Eckhout (1610-1666). Samen met ruim twintig andere schilderijen van zijn hand hangen ze op de tentoonstelling In Brazilië met Albert Eckhout, de eerste expositie die exclusief gewijd is aan het oeuvre van deze schilder. Eckhout zou zeker vergeten zijn als hij niet in 1637 had behoord tot het exclusieve gezelschap dat Johan Maurits van Nassau-Siegen vergezelde naar Brazilië. Deze Duitse neef van de toenmalige stadhouder Frederik Hendrik was opgeleid als officier in het staatse leger en bezat een grote culturele belangstelling. In 1636 benoemde de West-Indische Compagnie hem tot gouverneur-generaal van Brazilië. Vanaf de jaren twintig had de Compagnie de Portugezen uit hun belangrijkste steunpunten weten te verdrijven en zo kon hij de suikerplantages overnemen. In de driehoekshandel die nu ontstond kochten zij in West-Afrika slaven in, die op de plantage moesten werken en vandaar vervoerden ze de Braziliaanse suiker naar Nederland. Omdat de Portugezen zich niet bij hun verdrijving neerlegden, zocht de Compagnie naar een krachtige commandant en de 32-jarige Johan Maurits zou de juiste man op de juiste plaats blijken te zijn. In de zeven jaar van zijn gouverneurschap wist hij de Portugezen af te weren en de kolonie nieuw leven in te blazen. Hij verbeterde de infrastructuur, bouwde forten en stichtte een nieuwe hoofdstad, die natuurlijk Mauritsstad ging heten.

Johan Maurits was veel meer dan een militaire vakman. Hij had een team onderzoekers samengesteld dat in zijn gevolg naar Brazilië vertrok, de jonge cartograaf en astronoom Georg Marcgraf, de arts Willem Piso, landmeters, ingenieurs en minstens twee schilders: Frans Post, bekend van zijn vele Braziliaanse landschappen, en Albert Eckhout. Deze medische en natuurhistorische staf heeft in die zeven jaar een reusachtige hoeveelheid materiaal bijeengebracht. Planten en dieren werden verzameld en getekend, tropische ziekten, de zeden en gewoonten van de inwoners bestudeerd, er verrezen twee astronomische observatoria en men legde een collectie etnografica aan. Deze hele schat aan beeld, tekst en voorwerpen van het nooit eerder beschreven Brazilië nam Johan Maurits in 1644 mee terug naar Nederland. Hij had afstand van zijn gouverneurschap gedaan omdat naar zijn overtuiging de nodige financiële en militaire steun ontbrak. Hij had gelijk; nog tien jaar hielden de Nederlanders stand, toen gaven ze Brazilië over aan de Portugezen.

Verkwister

Met welke gevoelens Johan Maurits terugkeerde zullen we nooit weten. Zijn missie was niet voltooid, zijn opdrachtgevers vonden hem een verkwister en een joyeuze entree viel hem dan ook niet te beurt. Daar stond tegenover dat hij zijn intrek kon nemen in een van de mooiste architectonische scheppingen die Nederland rijk is, het in zijn opdracht gebouwde stadspaleis in Den Haag dat nog altijd zijn naam draagt. Johan Maurits nam hier zijn intrek en stelde er zijn Braziliaanse schatten op. Het is maar een beperkt publiek dat ze hier gezien kan hebben, maar de weinige beschrijvingen daarvan putten zich uit in bewondering. Hoe al die meubels stonden opgesteld, waar de wapens en verentooien hingen is niet bekend en daar komt nog bij dat deze exotica al weer snel het land verlieten. In 1652 zond Johan Maurits een grote collectie in Brazilië vervaardigde tekeningen naar de keurvorst van Brandenburg in Berlijn en twee jaar later schonk hij de schilderijen van Eckhout, die nu te zien zijn in het Mauritshuis, aan zijn neef de Deense koning Frederik III voor diens koninklijke Kunstkammer.

Dit waren niet zomaar cadeaus, maar presenten waar hij iets voor terug hoopte te krijgen: eer, goede banden met deze vorstenhuizen en als het even kon een nieuwe betrekking. Zijn calculatie pakte goed uit. De Deense koning beloonde hem met een mooi span paarden, een koets en de eervolle orde van de Witte Olifant. De grote keurvorst schonk geld en benoemde hem tot stadhouder van Kleef. Ook daar leefde Johan Maurits in een grote staat. Hij kocht er een paleis en liet een groot park aanleggen dat nog deels intact is.

Het Brazilaanse onderzoek kreeg zijn beslag in twee grote geïllustreerde en invloedrijke boeken. Een land- en volkbeschrijving door de Amsterdamse geleerde Caspar Barlaeus (1647) en een boek met natuurhistorische beschrijvingen door Marcgraf en Piso, de Historia Naturalis Brasiliae (1648).

Sedert 1654 bevinden de schilderijen van Eckhout zich dus in Kopenhagen, vanaf de negentiende eeuw in het Nationaal Museum. Deze hele verzameling bestaat uit acht levensgrote schilderijen van Brazilianen, het schilderij van dansende Tapuya-indianen, drie indrukwekkende portretten van Congolezen en een reeks grote stillevens van Braziliaanse vruchten.

De geportretteerde Brazilianen (Tupi en Tapuya-indianen, Afrikanen, mulatten en mestiezen) vormen steeds een paar, een man en een vrouw. Levensgrote portretten van Europeanen bestonden al langer, maar personen uit buiten-Europese gebieden waren nooit eerder op dit formaat geschilderd. Eckhout is in dit opzicht uniek. Hij maakte er hechte composities van, geometrisch goed uitgewogen, helder van kleur en voorzover het de attributen betreft heel precies. De personen staan statisch, frontaal afgebeeld, in doorgaans kleurige kleding: een rokje, een lang wit katoenen hemd of met een lendendoek. De attributen die ze dragen verwijzen naar hun activiteiten. De mannen zijn gewapend met pijlen, speren, een knots of een zwaard, de vrouwen hebben een mand bij zich met voedsel of gebruiksvoorwerpen. Naast deze personen rijst een bananenpalm op, een dadelpalm of suikerriet die de verticale component in de compositie versterken. Aan hun voeten slingeren planten en op de voorgrond liggen schelpen, kruipt een vogelspin of snuffelt een cavia. En hoe beter men kijkt, hoe meer details er opduiken. Altijd is er nog weer een pad, een boa constrictor of een bonte bloem te vinden. De horizon reikt ver. Men kijkt over een vlak landschap met een plantage, naar een baai aan zee of naar een rivier die zich verliest in het oerwoud.

Eckhout heeft voor een moeilijke opdracht gestaan. Deze schilder, omstreeks 1610 in Groningen geboren, duikt vrijwel op uit het niets, maar moet een reguliere schilderopleiding hebben gevolgd toen hij zich inscheepte voor zijn Braziliaanse avontuur. Het grote verschil met de gewone portretschilders is dat die in opdracht van de voorgestelde werkten. Daar is hier geen sprake van. De opdracht kwam van Johan Maurits en was, anders dan gebruikelijk in Nederland, veel meer documentair van aard. Zoals de bananenboom, de cassave, het gordeldier en honderden andere planten en dieren zo informatief mogelijk moesten worden afgebeeld, zo moesten ook de Tupi en de mulatten worden vereeuwigd. Een probleem was dat de voorgestelden grotendeels naakt door het leven gingen en hier begint de eerste vertekening. Eckhout heeft terwille van de documentatie, maar ook terwille van de esthetiek en waarschijnlijk ook omwille van de zedelijkheid zijn modellen aangekleed en voorzien van kleding, van speren en messen, van kettingen, manden en kruiken. Ook de woeste voorstelling van de dansende Tapuya's is enigszins gekuist. Zij dansten naakt, maar Eckhout wist de schaamstreek vrijwel overal te verhullen.

De onderdelen van deze etnografische collages, zo is door specialisten voor deze tentoonstelling nog eens heel precies uitgezocht, zijn waarheidsgetrouw weergegeven. Een wrang detail doet zich voor bij het schilderij van een zwarte vrouw met haar kind. Men kan zich vergapen aan de fraaie hoed met pauwenveren, aan de mooie (Afrikaanse) gevlochten mand waar de papaja's, bananen en sinaasappelbloesems zo smaakvol in zijn opgesteld, men kan vertederd `ach' roepen bij het zoontje met zijn maïskolf in de ene en een papegaai in het andere knuistje. Maar uit een kopie van een voorstudie blijkt nog iets heel anders. Die tekening werd gemaakt door een Duitser die in dienst van Johan Maurits stond, Zacharias Wagner. In zijn Thierbuch heeft hij dezelfde Afrikaanse vrouw getekend. Er is één groot verschil: boven haar rechterborst is een brandmerk zichtbaar met de letter M. Dat zag men toch liever niet in een feestzaal aan een Europees hof.

De stillevens van vruchten zijn twaalf zorgvuldig meer dan levensgroot gecomponeerde ensembles van pompoenen, kalebassen, en noten. Ze liggen op een richel tegen de achtergrond van een wolkige hemel en moeten ooit hebben gediend als decoratie aan de bovenkant van de wanden van een grote zaal.

Pinda

Eckhout heeft met plezier gezocht naar afwisselende en ondanks het stillevenkarakter `levendige' composities. Er liggen bevallig gerangschikte, glanzende wortelen en paprika's, ananassen, guaves, papaja's, passievruchten, citroenen, kokosnoten en peulen. Sommige opengesneden om, ook al weer terwille van de documentatie, alle aspecten met grote aandacht voor kleur en textuur van deze grotendeels in Europa nooit eerder geziene vruchten te tonen. Dankzij Eckhout beleefde de pinda zijn primeur in ons land.

Wanneer en hoe deze schilderijen nu precies zijn gemaakt is het grote raadsel van deze tentoonstelling. Eckhout heeft zeker in Brazilië naar het leven getekend. Op de tentoonstelling hangen enkele van zijn studies. Er bestaat een theorie die zegt dat de schilderijen bedoeld zijn geweest voor zijn paleis Vrijburg in Mauritsstad, het huidige Recife. Maar er zijn argumenten die daar tegen pleiten. Waarom bijvoorbeeld zou men mensen die men lui vond – zie de opmerking van Wagner – levensgroot aan de muur willen hebben? Dat ze zijn gemaakt voor het Mauritshuis in Den Haag is ook ontzenuwd. Uit tekeningen van het interieur blijkt dat er aan de wanden geen plaats is geweest om ze op te hangen. Dat ze er nu wel kunnen hangen komt omdat het hele interieur na een fatale brand in 1704 veranderd is. De schaarse documenten over deze schilderijen en over Eckhout doen vermoeden dat Eckhout deze schilderijen in Nederland heeft gemaakt op basis van zijn schetsen en zijn herinnering.

De hele collectie Braziliaanse schilderijen verliet in één klap het land en is nu na 350 jaar weer terug. Het is bij elkaar een bijzondere tentoonstelling, die waard is om gezien te worden. Wel zal het kunsthistorische perspectief de bezoeker kunnen doen vergeten dat achter dit kleurrijk exotisme en de onbewogenheid van de afgebeelde personen een wrede slavenwereld school. Het is dan ook jammer dat het eerder genoemde Thierbuch van Zacharias Wagner niet is geëxposeerd. Op zijn minst had men zijn bijschriften kunnen presenteren. Dat zou onthutsend commentaar bij deze voorstellingen hebben gegeven.

Al heeft Albert Eckhout de niet-Europese inwoners van Brazilië kleuriger en keuriger aangekleed dan ze zich in het dagelijks leven voordeden, hij heeft hen voor de eeuwen bewaard. Van de Tapuya's, de als wild te boek staande kannibalistische stam, zijn dit de enige afbeeldingen die bewaard zijn gebleven. Deze exotische schimmen zijn dus niet alleen een herinnering aan die individuen, maar ook aan de cultuur van een heel volk, die niet meer bestaat. De Tapuya's zijn in het begin van de negentiende eeuw uitgestorven.

`In Brazilië met Albert Eckhout (1610-1666)' is tot en met 27 juni te zien in het Mauritshuis, Den Haag. Cat. €29,50 (pap.) of €39,95 (hardcover)