Europese politici op zoek naar liefde

Vijfentwintig ministers voor Europese Zaken debatteerden in Ierland over de toenemende euroscepsis. De burgers laveren tussen angst en liefde voor Europa.

Beste Tweede-Kamerleden, senatoren, leden van Provinciale Staten en gemeenteraden, opgelet. Als de voortekenen niet bedriegen, wacht u een even belangrijke als zware taak. U mag Europa gaan uitdragen. In plaats van dit aan Brussel over te laten, mag u straks meebesluiten als er Europese wetgeving in aantocht is. U heeft immers veel meer ervaring met politiek bedrijven dan Europese politici. Uw gezicht is bekender, uw debat interessanter. En u kunt veel beter dan Brussel bepalen of dat ene industrieterrein in uw gemeente inderdaad moet wijken voor die zeldzame kikker die Europa zo graag wil beschermen.

In Ierland bogen gisteren en eergisteren de 25 ministers en staatssecretarissen voor Europese Zaken uit de uitgebreide Europese Unie zich over de vraag hoe Europa aan de steeds eurosceptischer burger verkocht kan worden. Brussel kan dat niet alleen, luidde grosso modo hun antwoord. Daarvoor is Europa – zeker na 1 mei – te groot, en is EU-politiek te ingewikkeld. Dus nationale, regionale en lokale volksvertegenwoordigers: help alstublieft.

De plaats van samenkomst was magnifiek: het uitgestrekte hotel- en golfcomplex Druids Glen in de heuvels aan de kust ten zuiden van Dublin. Het persbeleid was, voor Europese begrippen, open: eenderde van de sessies was toegankelijk voor de overigens matig geïnteresseerde media. De bijeenkomst zelf was somber van karakter, zeker toen de deelnemers elkaar met cijfers gingen bestoken.

Minder dan de helft van alle Europeanen beoordeelt de eenwording nog als positief, rapporteerde de Ierse minister Dick Roche. Bijna eenderde (31 procent) van de EU-ingezetenen zegt dat de Unie hen koud laat, een percentage dat sinds begin jaren zeventig nog nooit zo hoog is geweest, meldde Europees commissaris António Vitorino. De Poolse steun voor de toetreding is met een kwart afgenomen (van 77 naar 52 procent), waarschuwde minister en aankomend Pools Europees commissaris Danuta Hubner. En voorzitter Pat Cox van het Europees Parlement hield zijn hart vast voor de opkomst bij de Europese verkiezingen in juni.

Dennis McShane, de Britse staatssecretaris, werd het allemaal wat te veel. ,,Niet zo somber en verongelijkt'', barstte hij aan het einde van de eerste vergaderdag uit. ,,We gedragen onszelf als mensen die vinden dat ze geweldig werk doen, maar dat die ondankbare burger dat maar niet wil begrijpen. Onze taak is niet om aardig gevonden te worden. Onze taak is om goed te regeren.''

Om dat laatste beter te doen, moeten volgens hem europarlementariërs projectgroepen vormen met nationale of regionale parlementariërs om Europese wetgeving voor te bereiden. McShane oogstte instemmend geknik van andere aanwezigen. De Nederlandse staatssecretaris Atzo Nicolaï zei na afloop het ,,volkomen met McShane eens'' te zijn. ,,Het is toch veel leuker voor Kamerleden om vooraf mee te beslissen, dan achteraf een invuloefening te moeten doen bij de omzetting van Europese wetgeving in nationale besluiten?''

Maar kunnen Europese politici zelf ook iets doen om de steeds wijder wordende kloof tussen burger en Europees bestuur te verkleinen? Nicolaï zette in het debat hierover de toon met een pleidooi voor pragmatisme. Nu de oude legitimatie voor de Europese eenwording (nooit meer oorlog) vervaagt, moet een nieuwe legitimatie gevonden worden in de relevantie van Europa voor het dagelijks leven. ,,Welk nut heeft Europa voor mij'', is de hoofdvraag voor de burger, denkt Nicolaï. Voor Europese problemen (milieu, migratie, aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit of terrorisme) moeten Europese oplossingen gevonden worden, maar laat het daar dan ook bij, stelde hij. De Europese `ladderrichtlijn', die het gebruik van de ladder door schilders of bouwers verbiedt omdat er veel ongelukken mee gebeuren, had voor hem niet gehoeven.

Hoe lastig dit pleidooi in de praktijk te brengen is, bewees de daaropvolgende voordracht van de Ierse hoogleraar en oud-pro-Europees activiste Bridget Laffan over het verschijnsel referendum. Ook Nederland krijgt daarmee te maken: het kabinet wil een dergelijke volksraadpleging uitschrijven over de Europese grondwet en raadpleegde hiervoor Laffan als deskundige. Bovendien groeit de steun voor een referendum over de toetreding van Turkije tot de EU.

Campagnes over Europa worden volgens Laffan bepaald door emoties, die minstens zo sterk zijn als het rationele debat over de taken van de Unie. Grosso modo staan daarbij volgens haar twee gevoelens tegenover elkaar: angst en liefde. Angst om nationale soevereiniteit kwijt te raken, om door Brussel voor voldongen feiten gesteld te worden, angst voor het onbekende buitenland, maar ook angst die door nee-campagnevoerders zelf wordt aangejaagd. Om dat laatste te demonstreren toonde Laffan enkele posters uit de Ierse referendumcampagne uit 2001 over het Verdrag van Nice. Op de ene poster wordt in sombere kleuren een kiezer een pistool op het hoofd gezet. Op een andere waarmee destijds half Dublin werd volgehangen stond: No to war. No to Nice. No to American Terrorism. Zeker wanneer het nationale debat in veel lidstaten ook in het teken van angst staat (angst voor aanslagen, angst voor geweld op straat of op school, angst voor verlies van werk en welvaart, angst voor Poolse werknemers) zijn dat buitengewoon krachtige signalen, aldus Laffan.

Hoe ziet de liefde er dan uit, en kan die overwinnen? Laffan stelde dat Europa ,,heus sexy kan zijn'' en liet een poster van een vrijend paar in lichte, vrolijke kleuren, gebruikt door de Ierse voorstanders van `Nice'. Maar daar kon het natuurlijk niet bij blijven, doceerde zij. Bovenal is een `ja-campagne' een oefening in politieke en maatschappelijke mobilisatie: zo veel mogelijk groepen – liefst verenigd in een platform – moeten, zo energiek als het maar kan, vertellen waarom Europa iets positiefs voor ze kan betekenen: vrouwen, ondernemers, gehandicapten, yuppen, boeren, studenten, en, inderdaad, nationale en regionale politici.

Overigens won deze `ja-coalitie' pas in tweede instantie de Ierse referendumstrijd, nadat de neezeggers in 2001 de eerste keer hadden gezegevierd maar vervolgens in allerlei schandalen verwikkeld waren geraakt.