Een zwart verdwijngat

Vrouwen die van top tot teen in zwarte sluiers zitten, worden in feite uit het wereldbeeld geweerd, als ex-geliefden die uit foto's geknipt zijn.

Er schuilt zekerheid in vernedering, dacht ik. Die pessimistische gedachte werd opgeroepen door een foto die ik in de krant zag staan. Het was een foto van een vrouw die van top tot teen in het zwart gehuld was, dat wil zeggen, je moest maar geloven dat het een vrouw was, want wat je kon zien was een gordijn. Er stond nog iemand op de foto, het was een jongeman in glanzende, felgekleurde wielrenkledij die hem als een tweede huid omsloot. Het helle licht van het Midden-Oosten sneed de contouren van zijn lichaam uit met de scherpte van een stanleymes. Elke welving van zijn schouders, borst, buik en benen, tot aan de kwetsbare curve van zijn geslacht toe, werd nauwkeurig zichtbaar gemaakt. Het strakke tricot benadrukte zijn lichaam op een manier die de man naakter maakte dan hij naakt ooit geweest zou kunnen zijn. Ten opzichte van de donkere berg stof waar een vrouw onder weggemoffeld was, leek zijn aanwezigheid tartend schunnig. Maar ik bekeek de foto opnieuw en toen daagde me iets. Het was niet de onbedektheid van de man die obsceen was. Hij was gewoon een wielrenner, in kleding die bij zijn vak hoorde, nee, het was de theatrale gekleedheid van de vrouw die hem obsceen deed lijken. Laat ik het de beschuldiging van het gordijn noemen.

Het gordijn beweert dat de wereld een verdorven plek is waar satan in zijn blote gat de tango danst. Het beweert ook dat vrouwen zwakke zussen zijn, niet bestand tegen de bedreiging/verleiding van smeerlapperij.

Ik moest aan de vrouw onder het gordijn denken. Of ze mooi of lelijk, jong of oud, beetje dik of dun, een lachgraag of sombermiepje was, zou ik nooit te weten komen. Haar aanwezigheid werd van onze voze wereld afgesloten door een lap stof.

Het deed me denken aan hoe mensen soms hun ex-geliefden van een foto af knippen, in een poging degenen die hun vertrouwen beschadigd hebben te veranderen in negatieve ruimte, een zwart gat waarin alle nare herinneringen hopelijk zullen verdwijnen. Tragisch genoeg bereiken ze het tegengestelde effect, want de leegte in het beeld toont juist hoezeer ze zijn bestolen van hun liefde. Ooit zag ik in Brussel een fototentoonstelling van iemand die zulke gehavende foto's in grote hoeveelheden verzameld had. Het was een eindeloze, in zijn eenvoud verpletterende parade van rampzalig menselijk verlangen.

Voor moslimfundamentalisten vallen blijkbaar alle vrouwen in de categorie ex-geliefden, bronnen van angst en pijn. En ze bestrijden hun angst vervolgens door vrouwen visueel uit het wereldbeeld te weren, een negatieve ruimte van ze te maken, een zwart verdwijngat.

Dat vrouwen zich van top tot teen in het zwart hullen wordt je wel als een persoonlijke daad van aanbidding van Allah verkocht, maar daar trap ik mooi niet in. Een vrouwenlichaam (in dit geval het extreme verhullen ervan) wordt altijd en overal ingezet om iets mee aan te prijzen, of het nu een auto is of aanbidding van Allah, waar het vrouwen betreft is het elke dag uitverkoop. Nooit zijn ze eens echt van zichzelf. Het is en blijft de mannelijke blik die hun mogelijkheden dicteert. Veel vrouwen accepteren dat en bieden de wereld hun vernedering aan als een geschenk.

Ik kan die houding wel begrijpen. De prijs die je moet betalen als je je niet aan de regels houdt van de groep waar je deel van uitmaakt is uitstoting, wat ook een grondige manier van onzichtbaar gemaakt worden is. Maar ondanks dat ik het begrijp, blijft onderdrukking toch onderdrukking. Vernederend om te ondergaan en bijna net zo vernederend om te aanschouwen. Onderdrukking stinkt. Is vette drek!

Het was laat en koud, het sneeuwde. Terwijl mijn vliegtuig de landing inzette op Schiphol, zag ik een haas wegrennen over de landingsbaan.Hij verdween in een snelle dans van hoekige zigzagbewegingen in de nacht, mij achterlatend met een gevoel van ontroering dat ik niet eenvoudig kon duiden noch negeren.

Wat betekent zoiets?

Een moment lang had het geleken alsof ik van mezelf wegliep, van mezelf werd bevrijd. Ik was even haas geworden en dat zonder drugs te gebruiken. Het had me een sensatie van verbondenheid met de wereld gegeven, met elke grasspriet, sneeuwvlok, aardgasbel. Een dergelijke genade overkomt me helaas zelden. Meestal voel je je een buitenstaander, een vreemde levend op een vreemde planeet, intens verlangend naar contact met andere vreemden die je dan later weer van je foto's kan gaan afknippen.

Over vreemden op een vreemde planeet ging het artikel `Célines UFO's' dat ik in 1997 schreef ook. Er kwamen een vrouw in voor die verkracht was door aliens, een anorectische tweeling die kunst braadde uit vermagering, en meisjes met hoofddoekjes, de laatsten gefotografeerd door Céline van Balen. Bij herlezing besefte ik hoeveel er sindsdien is veranderd. De mussen in Amsterdam sterven uit, maar de hoofddoekjes fladderen overal rond.

Zeven jaar geleden had het debat nog maar weinig van de urgentie en de stekeligheid die het tegenwoordig heeft. Ik vroeg me af of de tijd de manier waarop ik naar de foto's van Van Balen keek veranderd had. ,,Je ziet de ovaal van hun gezicht, zonder oren of plukjes haar, hij baadt in helder licht, alleen de hoofddoekjes werpen er een diffuse schaduw op'', schreef ik destijds. Ik voelde me niet geroepen mijn opvattingen over hoofddoeken uit te spellen, hoewel er tussen de regels iets van doorsijpelde, gezien een uitspraak als ,,wat je in een portret kan betoveren is juist datgene wat je niet ziet (...) datgene wat iemand werkelijk denkt, vindt, voelt. Portretten zijn een briljante noodoplossing voor het feit dat we geen gedachten kunnen lezen''. De spanning tussen innerlijke onthulling en uiterlijke verhulling, daar ging het me toen om. Maar als ik nu over dezelfde foto's zou schrijven zou ik mijn opvattingen scherper weergeven.

Het onaanvaardbare aan hoofddoekjes vind ik dat vrouwen hun haar moeten bedekken wegens de wellustige blik van mannen. Zo worden ze verantwoordelijk gesteld voor het gebrek aan zelfbeheersing van anderen. Deze opvatting is in een aantal islamitische landen ook in wetten verankerd, wat bijvoorbeeld maakt dat een vrouw die verkracht wordt de gevangenis kan ingaan wegens ontucht. Dubbele moraal in het kwadraat is het.

Om de situatie te relativeren wordt vaak opgemerkt dat vijftig jaar geleden in Nederland vrouwen ook hoofddoekjes droegen, maar wat schiet ik daar mee op? Ik leef nu, niet vijftig jaar geleden en ik voel er niks voor afstand te doen van wat er in die jaren bereikt is aan emancipatie van vrouwen en homo's en jan en alleman. Daar hebben mensen voor gevochten, de afwijzing door hun omgeving voor getrotseerd.

Indien je de religieuze overtuigingen van moslims afwijst, levert dat verbittering op die leidt tot extremisme, wordt keer op keer gewaarschuwd. Het zegt wel iets over het vermogen tot verdraagzaamheid, het accepteren van afwijkende denkbeelden door een geloofsgemeenschap. Waarom zou ik eigenlijk opvattingen moeten aanvaarden die volstrekt geen ruimte laten voor de mijne op vrijwel elk gebied? Tolerantie is geen éénrichtingsverkeer.

En de notie dat we gewoon geduld moeten hebben – zeker nog vijftig jaar – en de emancipatie zouden moeten overlaten aan moslimvrouwen, is dat niet hetzelfde als die vrouwen gigantisch in de steek laten? Worden ze dan niet pas echt de uitgestotenen, degenen die er niet bij mogen horen? Vreemden in een vreemd land dat nauwelijks naar ze omkijkt.

Elena Simons (1977) kijkt wel naar moslims om. Pret met moslims heet het boekje dat ze geschreven heeft. Simons werd opgeleid aan de Rietveldacademie en noemt zichzelf `maatschappelijk uitvinder'. In Pret met moslims beschrijft ze hoe ze met een moslima (compleet met hoofddoekje) naar een pornozaak gaat, met een Turkse moslimfamilie en een racist een pretpark bezoekt, praat met een moslim die in de gevangenis zit, met moslims moslim-eten kookt, het verzetsmuseum bezoekt met een imam. Van al die ervaringen doet Simons op een lichte, prettig informele toon verslag. In het boek zijn ook recepten opgenomen en tekeningen, vertalingen in het Turks, Marokkaans en Tamazight (berbertaal) van zinnetjes als `mooie niqaab!' of `welkom in de rest van mijn leven'. Simons geeft tips hoe je je eigen hoofddoek kunt ontwerpen en heeft een subversief spelletje bedacht dat `corrigerend tikkertje' heet, waarbij man en vrouw elkaar om de beurt mogen slaan wanneer één van tweeën een opdracht verkeerd uitvoert.

Als ik bij haar op bezoek ga, zijn de aanslagen in Madrid een week oud, maar tot mijn verbazing is Simons nauwelijks op de hoogte. Best vreemd voor iemand die een boek over moslims geschreven heeft. Ook mijn vragen over de betekenis van hoofddoekjes of `corrigerend tikkertje' spelen lijken voor haar als dode vogels uit de lucht te komen vallen. Na een poosje krijg ik de indruk dat ze expres weigert te oordelen. Dat komt droevig op me over, want wat ze in haar boek toch doet is de werkelijkheid een absurde draai geven. Absurdisme wordt wel eens koorddansen over twee afgronden genoemd, die van het zinvolle en het zinloze. Door over de maatschappelijke spanningen heen te stappen wordt wat in Simons' boek prachtig absurd had kunnen zijn ontdaan van een diepere betekenis, gedegradeerd tot onzin. Van wat een zoektocht naar het hoofd, het hart, de maag en desnoods het geslacht van moslims had kunnen zijn blijft dan niet meer dan een `knotsgek doe-boek' over. Niet licht maar lucht.

Wat zie je als je goed om je heen kijkt? En wat betekent datgene wat je dan ziet? Het zijn vragen die de wereld als een tweede huid willen omsluiten. Een besneeuwde haas die zwenkt over een landingsbaan, een wielrenner in Qatar (en de welving van zijn geslacht), een fotoverzameling gemiste mensen, een vrouw vermomd als gordijn, meisjes met hoofddoeken talrijker dan mussen – het zijn stuk voor stuk beelden waarvan je de inhoud aan de buitenkant tracht af te lezen, maar die hun betekenis niet altijd wensen bloot te geven. Stel jezelf nog een vraag: heb je wel echt goed genoeg gekeken? Het is belangrijk. Want niets ligt vast. De interpretatie van beelden verandert voortdurend. Het is een vlietende wereld. Alles stroomt.

Een laatste voorbeeld: jaren geleden zag ik een tentoonstelling van de Duitse schilder Markus Lüpertz, waarin hij een aantal portretten toonde. Bij een portret blijft er rondom de figuur ruimte over, restruimte. Bij een slecht schilderij dringt die restruimte zich naar voren, neemt happen uit het beeld. De kunstenaar heeft het probleem van de overgang van de persoon naar de omringende ruimte dan niet overtuigend weten op te lossen. Lüpertz maakte dat aloude schildersprobleem zichtbaar door in die restvormen, onder de armen en tussen de benen van de afgebeelde figuur, allemaal spookjes te schilderen. Spookjes die me nu, jaren later, onweerstaanbaar aan gesluierde vrouwen doen denken. Ballingen. De schimmige bevolking van de restruimte. Maar heb ik wel echt goed genoeg gekeken? Het is belangrijk.

`Pret met moslims' van Elena Simons verschijnt 16 april bij Querido