Een meedogenloze dromer

Gustav Mahlers Eerste symfonie is 179 keer vastgelegd op de plaat en de Tweede symfonie 113 keer. Tot die duizelingwekkende getallen kwam het Franse muziektijdschrift Diapason vorige maand. De Oostenrijkse kunstenaar behoort daarmee tot de top van meest gespeelde componisten. In zijn eigen tijd was Mahler in de eerste plaats een wereldberoemd dirigent. Hij bekleedde daarnaast als directeur van de Weense hofopera, van 1897 tot 1907, een van de belangrijkste functies in het Europese muziekleven. Componeren deed Mahler erbij in de zomermaanden, in werkhuisjes die hij daarvoor speciaal liet bouwen. Hij maakte weliswaar vele concertreizen om zijn eigen symfonieën tot klinken te brengen, maar daarmee had hij niet veel succes. Behalve in Nederland, waar Mengelberg met het Concertgebouworkest de geesten rijp maakte. Door critici werd zijn muziek vaak afgedaan als `hypernerveus', `decadent' en `megalomaan'; kritiek die niet vrij was van antisemitisme. Tegenwoordig worden juist die `moderne' aspecten van zijn muziek gewaardeerd. Mahler vatte een twintigste-eeuws levensgevoel – vol persoonlijke ambivalentie, onzekerheid en angst – in de traditie van de negentiende-eeuwse grote, romantische symfonie. Zo groeide hij uit tot een romantische held voor een wereld die niet meer in romantische helden gelooft.

Ondanks al zijn geploeter, luidt een van Mahlers beroemdste uitspraken: `Mijn tijd zal komen.' Vollediger geciteerd was deze zelfverzekerde voorspelling eigenlijk een sneer naar zijn succesvolle tijdgenoot Richard Strauss: `Mijn tijd zal komen als die van hem voorbij is.' Minder bekend is dat Mahler ook ernstig kon twijfelen over zijn eigen symfonieën: `Hoe lang leeft zo'n werk? Vijftig jaar. Dan komen andere componisten, een andere tijd, een andere smaak, andere werken. Wat dan? Ik heb een groot [orkest-]apparaat nodig, wie neemt de moeite om de zaak goed in te studeren? En zal iemand de geestdrift en de tijd kunnen opbrengen, zal ik dan zeker kunnen zijn dat begrepen wordt wat mijn bedoeling is? Liever geen uitvoering dan een slechte.'

Mahlers meest recente biograaf, Jens Malte Fischer, geeft ruim aandacht aan deze hartenkreet van Mahler. De biograaf ondermijnt in Gustav Mahler. Der fremde Vertraute zo het `vertrouwde' beeld van Mahler. Afstoffen van de clichés over Mahler is bepaald niet overbodig. Een ander overbekend beeld waar Malte Fischer vraagtekens bij plaatst, is dat van de componist als dromerige, wereldvreemde idealist (`Ich bin der Welt abhanden gekommen'). Mahler kon meedogenloos zijn in zijn carrière, hij kon scherp onderhandelen over zijn salaris, en is niet in zijn eerste leugentje gestikt om een benoeming binnen te halen.

Malte Fischer, hoogleraar theaterwetenschap in München, heeft een monument voor Mahler opgericht. Hij onderscheidt zich vooral door zijn geweldige greep op de historische en culturele context van Mahlers leven. Hij zet de steden, theaters en musici die voor Mahler van belang waren, scherp neer. Datzelfde geldt voor de muzikale debatten – `Wagneriaanse' nieuwlichters versus traditionalisten uit de school van Brahms – en voor politieke ontwikkelingen, zoals de opkomst van het antisemitisme in de Habsburgse monarchie. Meesterlijk zijn Malte Fischers typeringen van de nu vergeten filosoof Siegfried Lipiner, Mahlers jeugdvriend die een doorslaggevende invloed had op zijn intellectuele vorming, en van Alma Mahler, zijn rusteloze jonge vrouw. Hij onderbreekt zijn chronologische verhaal geregeld met knappe, thematische hoofdstukken. Die gaan onder meer over Mahlers leesgewoonten, zijn kwaliteiten als dirigent, zijn verhouding tot het jodendom en zijn spirituele ideeën en wereldbeschouwing. Ook alle symfonieën worden apart besproken. Tot besluit is er nog een belangwekkende beschouwing over uitvoeringen van Mahlers werk, met een lijstje aanbevolen cd's. Niet eerder werd het geestelijk leven van Mahler zo uitgebreid en genuanceerd beschreven als door Malte Fischer. Dit boek is, kortom, een Gustav Mahler-totaalpakket.

Mahler heeft, anders dan literair bevlogen, veelschrijvende voorgangers als Berlioz en Wagner, nooit enig artikel gepubliceerd. Daarom is zijn liefde voor de literatuur onderbelicht gebleven. Drie schrijvers hebben hem diepgaand gevormd. De vroege romanticus Jean Paul was de held van zijn jeugd. Malte Fischer laat zien dat Mahlers voornaamste muzikale ambitie direct te herleiden is tot Jean Pauls streven het epische en humoristische te laten versmelten. Mahler vond dat een symfonie `de hele wereld moet omvatten'. Niet alleen het hoge en verhevene, ook het nederige, pathetische en humoristische moest een plaats krijgen; en in Mahlers symfonieën duiken dus koebellen, hamers, militaire marsmuziek, kinderliedjes en volkspoëzie op.

Later herkende Mahler als religieuze zoeker veel van zijn levensgevoel bij Dostojevski. Tegen Arnold Schönberg zei hij: `Laat u de jongelui, die bij u studeren, toch Dostojevski lezen – dat is belangrijker dan contrapunt.' In zijn laatste jaren was vooral Gesprekken met Goethe van Eckermann zijn `Leib- und Magenbuch'. Aan Goethe ontleende hij zijn levensideaal dat elk levend wezen zijn bestemming vindt in het voortdurend streven naar het hogere. Belangrijker nog dan kunstwerken, die de expressie zijn van die spirituele zoektocht, was het onophoudelijk zoeken zelf. Zijn symfonieën waren voor Mahler niet meer dan afgestroopte slangenhuiden.

Mahler stond ver af van zowel de katholieke leer – hij bekeerde zich tot het katholicisme om zijn benoeming aan de Weense hofopera zeker te stellen – als van de joodse religiositeit van zijn jeugd. In het toneelstuk Mahler van Ronald Harewood, op dit moment gespeeld door Het Nationale Toneel, komt `Mahler' in een existentiële crisis terecht na zijn opportunistische bekering, omdat hij daarmee zijn joodse roots zou hebben verraden. Die simplistische tweedeling doet geen recht aan Mahlers complexe verhouding tot religie en tot de joodse identiteit, zo laat Malte Fischer zien.

Mahler wilde in zijn muziek weliswaar het hele leven vangen, maar seks is een opvallend schaars artikel in zijn symfonieën. De puriteinse Mahler is in veel opzichten een rebus sexualibus gebleven, concludeert Fischer, al was hij zeker niet zo onervaren als Alma Mahler in haar herinneringen wil doen geloven. Alma had juist een bovengemiddelde seksuele drive. Vanaf het begin waren alle elementen aanwezig voor de huwelijkscrisis van de zomer van 1910, een jaar voor Mahlers dood, toen Alma een verhouding kreeg met de jonge architect Walter Gropius.

Mahler raakte hierdoor volledig uit het lood. Malte Fischer concludeert dat Mahler in de greep kwam van een regressie naar zijn kindertijd. Dat leidt hij onder meer af aan de talloze kinderlijke briefjes en gedichtjes aan Alma, die Mahler in deze tijd schreef. Nooit heeft hij een woord gewisseld met iemand over de affaire van zijn vrouw. Het kost Malte Fischer moeite om Mahlers ontreddering te beschrijven: `De beschrijving doet [de biograaf] pijn omdat het de `held' van dit boek toont in een vertwijfelde, uitzichtloze situatie, en omdat het deze geweldige geest, deze tegenstrijdige maar grandioze persoonlijkheid, laat zien in wat een proces van verval lijkt dat aan dissociatie doet denken.' Die volzin is tekenend voor de perfecte balans tussen distantie en empathie van deze biograaf.

Jens Malte Fischer: Gustav Mahler. Der fremde Vertraute. Paul Zsolnay Verlag, 992 blz. €45,–