Een idool om op te ruimen

Vanaf oudjaar 1993 overlaadt een Duitse internist in ruste Connie Palmen met zoveel dwingende aandacht dat ze al snel toestemt in een ontmoeting. Tijdens een diner voor twee maakt `Dr. Ludwig von Gandersheim' duidelijk dat hij geobsedeerd is door de schrijfster – zoveel zelfs dat hij erover gedacht heeft om haar te vermoorden. `Het voelt als een liefdesverlangen' voegt hij eraan toe. `U wilt mij bezitten?' vraagt Palmen. `Dat komt in de buurt,' antwoordt Von Gandersheim, `maar liever zou ik zeggen dat ik u in mij wilde opnemen.'

Dit spannende verhaal – als het geen feit is, dan is het mooie fictie – vormt het beginpunt van Iets wat niet bloeden kan, het essay over moord en roem dat Connie Palmen schreef ter gelegenheid van de Maand van de Filosofie. Aan de hand van de wél gepleegde moorden op John Lennon, Gianni Versace en Pim Fortuyn probeert de schrijfster-filosofe de `moderne moordenaar' te duiden – naar eigen zeggen zonder een beroep te doen op de psychologie. Volgens Palmen komt moord voort uit een eenzijdige verhouding met de anderen, `met mensen die theater en fictie creëren'. De moderne moordenaar ziet zijn slachtoffer niet als een echt iemand, maar als een personage, een icoon, `iets waarvan iedereen geneigd is te denken dat het net zomin bloeden kan als Chanel No.5'.

Door een moord te plegen, en op te draaien voor de consequenties, maakt de moordenaar `werkelijkheid van zijn eigen fictie'. Hij doet daarmee het omgekeerde van de schrijver, die juist fictie van de werkelijkheid maakt. In dat licht is het interessant dat Palmen het archetype van de moderne moordenaar aantreft in een roman: Patricia Highsmiths The Talented Mr Ripley (1955), over een kameleontische figuur die zo sterk geobsedeerd is door de roem – of liever de levensstijl – van een rijke Amerikaan dat hij hem vermoordt om zijn identiteit aan te nemen. Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw, stelt Palmen, zijn de `exemplarische liefdeskoppels van de westerse literatuur' (Romeo en Julia, Abélard en Héloïse, `Leonard' en Molly Bloom) verdrongen door de moderne moordenaar en zijn slachtoffer: John Lennon en Mark David Chapman, Gianni Versace en Andrew Cunanan, Pim Fortuyn en Volkert van der G.

Palmens betoog, dat eindigt met een pleidooi tegen het o zo gevaarlijke idee dat waar en onwaar (echt en onecht) rigoureus van elkaar te scheiden zijn, is goed opgebouwd en vlot opgeschreven. Het prikkelt niet alleen tot het herlezen van Palmens oeuvre (dat getekend wordt door de zucht naar roem en het schipperen tussen fictie en werkelijkheid), maar ook tot tegenspraak. Want Chapman en Van der Graaf cum suis vormen maar een kleine minderheid binnen de enorme groep van moderne moordenaars. Zelfmoordterroristen en genocideplegers, ontheemde eerwrakers en `Dr Deaths' – zij wachten allemaal nog op een filosofische behandeling. Misschien dat Palmen zich over hen kan buigen in een volgend jaar, wanneer het thema van de Maand van de Filosofie niet `idolen en ideeën' is.

Connie Palmen: Iets wat niet bloeden kan. Over moord en roem, echt en onecht. Stichting Maand van de Filosofie, 64 blz. €3,50 (t/m 30 april)