Een fotograferende reus die niet hoeft te shockeren

De beroemde fotograaf René Burri had als jongetje een grote wens: Wegwezen hier! Hij woonde in Zwitserland, maar alles achter de Alpen was beter, mooier en spannender. Die illusie overviel hem vooral als zijn vader 's avonds met het eten thuiskwam. Een tas vol exotische vissoorten, zeevissen, waar je tussen Milka-koeien en Märklin-chalets misschien in die tijd wel net zo vreemd van opkeek als nu van kangoeroes op de Dam. De geur van vis bleef voor altijd verbonden met de status van wereldburger.

René Burri (1933) werd inderdaad een wereldburger. De academie in Zürich vormde de opstap. Hij kreeg er les van zowel een prinzipienreiter als Hans Finsler, die graag constructivistische portretten van koffiekopjes gefotografeerd zag, als de anarcho-artistieke Alfred Willmann die de gevoelswaarde van grijstonen benadrukte, het creatief omgaan met orde en chaos, en het intensiveren van een beeld door het te begrenzen. Burri leerde van beiden maar zocht zijn heil elders, onder anderen bij Henri Cartier Bresson. In 1955 stapte hij in Parijs brutaalweg bij het Magnum-collectief naar binnen, om er daarna lid van te worden. Uit wat hij in veertig jaar onder die paraplu heeft vastgelegd is nu het monumentale René Burri Photographs samengesteld, met honderden paginagrote zwartwitopnamen.

Burri is een reus van een fotograaf. Rampen en spektakel liet hij aan anderen over, evenals nationale folklore waar je al snel bij thuisblijvers verwondering mee wekt. Het esthetiseren van ellende – shock photos – was hem vreemd, het ging hem om het leven nà de oorlog, maar nog liever om het leven van alledag, zonder oorlog. En of zich dat nu afspeelde in Tokio of Chicago, het was hem, afgaande op de schijnbaar laconieke wijze van fotograferen, net zo vertrouwd als het café om de hoek in zijn geboortestad Zürich.

Hij opereerde als een ouderwetse, dienstbare en alerte verslaggever. Het beeld moest kernachtig voor zichzelf spreken, `ensceneren' deed je maar op het toneel. Als toeschouwer kijk je dan ook – vanachter besmeurde ramen, vanuit het publiek, vanaf een dak – ontvankelijk met hem mee, om geen moment te worden afgeleid door compositie, contrasten, belichting. Natuurlijk doet de techniek ertoe, bij Burri zelfs in sterke mate, maar het inhoudelijke beeld wordt er nooit ondergeschikt aan gemaakt.

Zijn beelden zijn tijdloos, omdat Burri `zijn opnamen zo structureerde dat ze méér laten zien dan ze te zien geven': een Burri-dimensie, over macht en onmacht, over `haves' en `have-nots', en over de aanvaarding daarvan. Als hij Bantu-dansers in Kenia fotografeert (1984) durft hij alleen hun benen te laten zien, beschilderd in zwart-wit banen. Als hij begin jaren zestig in maoïstisch China rondreist, houdt hij gezonnebrilde voorbijgangers in de gaten, die – kris-kras wandelend over het Tiananmen plein in Beijing en gadegeslagen door een reusachtig geafficheerde partijbons – bewapend zijn met wantrouwen.

Vooral Zuid-Amerika lag Burri na aan het hart. Hij portretteerde een zorgelijke Che Guevara, kort voordat hij ondergronds ging, en maakte fenomenale sfeerbeelden in Cuba en Brazilië. In Bolivia moeten vrouwen sjouwen als pakezels, maar Burri laat hen liever waardig dan zielig zijn. Er is altijd sprake van een zekere afstand, een soort neutraliteit, alsof zijn beelden bij te veel betrokkenheid aan kracht en integriteit zouden inboeten.

Talloze tijdschriften – Paris Match, Look, Discovery, Du, Britse zondagsbladen – publiceerden zijn kunstenaarsportretten; reportages eigenlijk: Le Corbusier op bezoek in een Frans klooster, Yves Klein met vrouwelijk naakt plus blauwe verf, Picasso dirigerend vanuit een hotelbed. Een zeldzame opname is het portret van Henri Cartier-Bresson, fotograferend vanuit een raam in New York, een man die zelf zelden op de foto wilde. Burri kan zich met hem meten.

Hans Michael Koetzle: René Burri Photographs. Phaidon, 446 blz. €95,