Die Hollandse oren zijn dichtgeslibd

Erasmus was een hypochonder en een windvaantje, vond Huizinga. Maar in zijn vroege, elegante brieven ontbreekt elk spoor daarvan. Als humanistische wereldburger zette hij vanuit Parijs en Venetië zijn vrienden tot schrijven aan en zei Rotterdam voorgoed vaarwel.

`Ik zou je wel vaker schrijven, Servaas, als ik maar zeker wist dat ik je daar niet mee zou storen. Ach, konden wij het maar zonder brieven doen, konden wij maar gewoon bij elkaar zijn – dat zou het fijnste zijn. Waar hou je je mee bezig, o helft van mijn ziel? Denk je wel eens aan me? Ik zou willen dat je gekweld werd door liefde voor mij, zoals ik voortdurend wordt gefolterd door liefde voor jou.'

Dat schrijft een smoorverliefde Desiderius Erasmus aan zijn vriend Servaas Rogier, in het jaar 1487. Er zullen nog meer brieven volgen, waarin Erasmus klaagt dat Servaas hem uit de weg gaat en nooit iets van zich laat horen, dat hij zich terugtrekt als een slak in zijn huisje. Als de geadresseerde eindelijk de moeite neemt om een kattebelletje terug te schrijven, bekent een dolgelukkige Erasmus per ommegaande dat hij dagenlang gehuild heeft van eenzaamheid, en nu elk uur de kostbare brief herleest. En pas een jaar later heeft hij zich weer voldoende bij elkaar geraapt om in zijn brieven aan Servaas een andere toon aan te slaan. Ga toch eens aan het werk en probeer eens een behoorlijke zin op papier te krijgen, schrijft hij streng, in plaats van maar wat aan te modderen. Als je indertijd naar me had geluisterd was je nu net zo goed geweest in de letteren als ik.

Alleen al vanwege de ontboezemingen aan Servaas Rogier is het een geluk dat de brieven van Nederlands beroemdste humanist eindelijk integraal worden vertaald. Het eerste brievenboek ligt inmiddels in de winkel. Er zullen nog 21 delen volgen, want Erasmus schreef brieven met hetzelfde gemak als wij e-mails tikken, maar dan ook nog in het Latijn en volgens de regels van de retorica. Deel I beslaat de periode 1484-1500. De Lof der Zotheid is nog niet geschreven, de confrontatie met Luther moet nog plaatsvinden. Het is een jeugdige, verrassend persoonlijke Erasmus die we ontmoeten, helemaal niet de afstandelijke, eenzelvige hypochonder die Huizinga in zijn beroemde biografie portretteert. Erasmus is bezig afscheid te nemen van het slome, kille Nederland. `Als mijn vroege geschriften te wensen overlaten, bedenk dan dat ik ze schreef voor Hollandse, dat wil zeggen: volledig dichtgeslibde oren', zegt hij in een van zijn brieven.

Slemppartijen

Hij ziet de Hollanders als een ordinair volk dat alleen maar uit is op slemppartijen, te bot voor de literatuur. Dan liever de Engelsen: al bij zijn eerste bezoek voelt hij zich daar meteen thuis. Er bestaat hier, schrijft hij enthousiast, een lofwaardige gewoonte: kom je ergens, je wordt met kussen van iedereen ontvangen; ga je weg, je wordt met kussen uitgeleide gedaan; kom je terug, opnieuw zoete kussen; je ontmoet elkaar elders, er wordt weer druk gekust. Je zou wel tot je dood in Engeland willen wonen, beste Fausto, als je dat een keer had meegemaakt.

Erasmus werd geboren in Rotterdam, vermoedelijk in 1466 of 1469, als het onwettige kind van een priester. Later heeft hij zijn best gedaan om de precieze details van zijn geboorte zoveel mogelijk te verdonkeremanen. Misschien daarom ook koestert hij zijn leven lang een onberedeneerde afkeer van zijn geboorteplaats. Als hij vijftien jaar is en zijn ouders kort na elkaar aan de pest bezwijken, sturen zijn voogden hem het klooster in. Dit tot ontzetting van Erasmus, die liever wil gaan studeren. Maar naar zijn brieven te oordelen heeft hij het er toch aardig naar zijn zin. Hij heeft alle tijd om te lezen, als jonge kloosterling zit hij met zijn neus meer in Cicero, Vergilius en Ovidius dan in de bijbel. Om zich voor te bereiden op een toekomst in de schone letteren wisselt hij gedichten uit met andere jonge monniken en oefent zich in de kunst van het brievenschrijven.

Zijn vroege correspondentie – bijtend, vleiend dan wel spottend maar altijd elegant – verraadt al het talent van de latere intellectuele megaster, met wie de groten der aarde hun conversatie graag op een spiritueler plan brachten. Eerst wordt hij nog tot priester gewijd, in 1492. Kort daarna ontsnapt hij aan het klooster en wordt secretaris van een bisschop. En dan begint zijn rusteloze zwerftocht, langs universiteiten, paleizen en hoven, vorsten, uitgevers en geldschieters, van Oxford naar Parijs en van Parijs naar Bologna en Venetië, een koffertje boeken en manuscripten altijd onder handbereik. Zwervend door Europa, zonder vaste woon- of verblijfplaats, zou hij de beroemdste intellectueel van zijn tijd worden. Naar Rotterdam zou hij niet terugkeren. Heel de wereld is mijn vaderland, aldus Erasmus. Ik ben een wereldburger.

Die wereld is Europa en Europa verkeerde rond 1500 in een overgangstijd. De katholieke kerk hield uitverkoop. Vorsten stortten zich gretig van de ene in de andere oorlog. Er heersten pest en hongersnood. Maar er was ook vernieuwing, het denken van de Renaissance drong door tot buiten Italië en zojuist was de boekdrukkunst uitgevonden. Erasmus hoort bij de eerste generatie intellectuelen die gebruik maakte van het revolutionaire medium van de drukpers. Door de snelle verspreiding van brieven en boeken ontstaat er al gauw een netwerk van gelijkgestemden, voor wie alles draait om de klassieke humaniora. Het gaat de bewonderaars van de Renaissance om een culturele omwenteling die de mens in het centrum van de aandacht zet, naar het voorbeeld van de oude Grieken en Romeinen.

De levende, literaire taal van de antieke denkers en dichters komt in de plaats van de onpersoonlijke, dogmatische logica van de middeleeuwse scholastiek. Beoefening van poëzie, filosofie, geschiedenis, retorica en literatuur wordt onontbeerlijk geacht om jezelf echt mens te mogen noemen. Helder schrijven is helder denken. Erasmus wordt een van de belangrijkste vertolkers van dit humanistische beschavingsideaal. Door het geschreven woord wil hij de wereld menselijker maken, redelijker, verdraagzamer, vredelievender – uitgangspunten die hij overigens niet alleen denkt terug te vinden bij de heidense Grieken en Romeinen, maar ook in de Bergrede. Want Erasmus blijft een gelovige, die zijn leven lang wel de kerk fel bekritiseerd heeft, maar nooit de religie. Van de tegenstelling tussen rationaliteit en geloof die voor onze tijd zo vanzelfsprekend lijkt, is bij Erasmus geen sprake, zijn rationalisme wil geen seculiere concurrent zijn van de religieuze boodschap. Hij wil de christelijke cultuur juist nadrukkelijk laten delen in de sfeer van de klassieke redelijkheid. Wanneer hij rond de eeuwwisseling de ambitie heeft om Grieks te gaan leren, dan is dat om het Nieuwe Testament te kunnen vertalen en de bronnen van het christendom voor zoveel mogelijk lezers toegankelijk te maken.

Scherpslijperij

Maar het vreedzame, kosmopolitische Europa waarvan Erasmus aan het eind van het eerste brievenboek droomde is voorlopig nog ver te zoeken. In de decennia na 1500 zal het klimaat steeds grimmiger worden. Reformatie en Contrareformatie veranderen Europa in een slagveld van strijdende christenen. In Engeland wordt Erasmus' vriend Thomas More onthoofd, als martelaar van het katholicisme. Het intellectuele debat wordt totalitair, het vrije woord verdampt in demonisering en scherpslijperij. In de strijd tussen goed en kwaad heeft elk van beide partijen de exclusieve waarheid in pacht. Erasmus, die meer oog heeft voor de twijfels dan voor de zekerheden van het denken, wordt ieders kop van jut. De katholieken vinden hem een ketter, Luther noemt hem een lafaard. En zelfs Huizinga zet hem vier eeuwen later nog neer als een windvaantje, een intellectueel zonder daadkracht, die bij alles een slag om de arm hield. Te veel smaak en te weinig temperament, volgens Huizinga. En daarom ongeschikt om zijn tijd echt te beïnvloeden.

Maar misschien heeft Huizinga iets over het hoofd gezien. Misschien is hem ontgaan dat Erasmus willens en wetens partij koos tegen de tijdgeest, dat zijn vermeende gebrek aan temperament onderdeel was van zijn weigering om toe te geven aan de collectieve hysterie. Erasmus had geen zin om zijn mond te houden, maar hij wenste zich ook niet voor het ideologische karretje van een van de strijdende partijen te laten spannen. Hij bleef de machtigen minachten, de ijdele clerus bespotten, de corruptie van de kerk aan de schandpaal nagelen. Hij sympathiseerde met de Reformatie, maar Luther vond hij een overspannen populist. Voor Erasmus is er niet dat ene grote, zaligmakende gelijk. Als pluralist blijft hij naast de partijen staan, en dus naast de macht. In oorlogstijd vereist dat een behoorlijke dosis moed.

De geest van Erasmus zou in de Nederlanden pas later terrein veroveren. Maar dat heel zijn correspondentie van meer dan drieduizend brieven inmiddels in soepel Nederlands vertaald wordt, bewijst dat zijn erfenis nog springlevend is. Door zijn weigering om te denken in absolute termen vestigde Erasmus een traditie die tot op de dag van vandaag alleen nog maar aan actualiteit wint. Redelijkheid zonder zendingsdrang of verkettering, tolerantie, het nuchtere vermogen om te relativeren, om historisch en genuanceerd te denken; ironie, als een manier om de waarheid te blijven zeggen in oorlogstijd, wanneer elke nuance verboden is – dat zijn de kernwaarden waarmee zijn humanistische erfenis geïdentificeerd kan worden. Ze horen tot het waardevolste dat de Nederlandse beschavingsgeschiedenis heeft opgeleverd.

De Correspondentie van Desiderius Erasmus. Brieven 1-141. Vertaald uit het Latijn door M.J. Steen. Ad. Donker, 326 blz. €39,50