Dertig goden hadden de christenen

Het scheelde weinig of het christendom en dus ook het beeld van Jezus had er volstrekt anders uitgezien. Er was geen enkelvoudige `vroegchristelijke kerk', er bestond slechts een onsamenhangende woekering van ideeën, geloofsopvattingen en teksten. Pas in de vierde eeuw kreeg de orthodoxe leer de overhand.

Het christendom is een overzichtelijke godsdienst. Daarom zijn de reflexen na het zien van Mel Gibsons film over Jezus' kruisdood zo vanzelfsprekend. De gezaghebbende teksten liggen voor het grijpen. Staat die langdurige geseling wel in het Nieuwe Testament? En die kraai met dat oog in zijn bek? Even opzoeken, klaar. Het christelijk geloof zelf komt helder over. Een christen gelooft al gauw in God de Vader die zijn Zoon stuurde om te sterven als offer voor de zonden van de mensen. En die Zoon, Jezus Christus, stond vervolgens weer ten derde dage op uit de dood, als ultiem bewijs van de liefde Gods voor zijn schepping. Vader, Zoon, kruis, opstanding, vergeving, dat is zo ongeveer de kern.

Diep in het hart weet iedereen die het vroege christendom bestudeert wel dat wat wij nu `orthodoxie' noemen pas laat ging domineren, zo ongeveer in de vierde eeuw ná Christus, toen het christendom staatsgodsdienst werd in het Romeinse rijk. Pas eind vierde eeuw kwam vast te staan welke boeken tot het Nieuwe Testament zouden behoren en welke niet. Maar de conclusie dat er vóór die tijd dus helemaal geen orthodoxie of Nieuw Testament heeft bestaan en er dus een ànder christendom was, wordt zelden getrokken. Al te gemakkelijk is het om te spreken over ketters en orthodoxen in de tweede of derde eeuw. Maar dat is onzin, gebaseerd op een redenering achteraf en het gevolg van eeuwenlange indoctrinatie door de orthodoxe `overwinnaars' die hun geestelijke voorgangers tot de ware en belangrijkste lijn in de geschiedenis van het christendom verhieven.

Onlangs verscheen een aantal boeken waarin korte metten wordt gemaakt met deze diepgewortelde geschiedvervalsing. Het belangrijkste is het fascinerende boek van de Amerikaanse nieuwtestamenticus Bart Ehrman, met de veelzeggende titel: Lost Christianities. The Battle for Scripture and the Faiths We Never Knew. Gelijktijdig bracht Ehrman een bronnenboek uit: Lost Scriptures. Het bevat de Engelse vertalingen van 47 evangelies en andere geloofsteksten die eeuwenlang door christenen als even gezaghebbend werden beschouwd als de nu zo vertrouwde canon van het Nieuwe Testament, maar die nu als curiosa terzijde worden geschoven. Veel van die teksten zijn fragmentarisch overgeleverd, geslachtofferd door ruim anderhalf millennium van orthodoxe censuur en onverschilligheid.

Vorig jaar verscheen ook Beyond Belief. The Secret Gospel of Thomas van de kerkhistorica Elaine Pagels, die faam heeft opgebouwd met The Gnostic Gospels uit 1979. Volgens Pagels ligt de kern van de christelijke (proto-)orthodoxie in een extreme nadruk op eenheid en uniformiteit: de waarheid wordt van bovenaf bepaald, door de bisschop en de openbaring van God. De gelovige mens zelf heeft weinig in te brengen. Het voordeel van die ijzeren traditie was, geeft Pagels toe, een bescherming `tegen het notoire vermogen van de mens om zichzelf te misleiden'. Maar nu wordt het tijd voor meer variatie en diversiteit, aldus Pagels. Dat is ook de betekenis van de titel van haar boek: Beyond Belief, het geloof voorbij.

In 2002 verscheen ook nog De Veelvormigheid van het vroegste christendom, van de Groningse hoogleraar Gerard Luttikhuizen (uitgeverij Eburon). Ook hij geeft een mooi tableau de la troupe van de vele vroegchristelijke stromingen en net als Pagels besteedt hij veel aandacht aan het evangelie van Thomas. Meer dan de andere boeken gaat hij ook in op de oorsprong van een van die stromingen, de gnostiek, die hij zoekt in de Griekse filosofie en niet in de joodse mystiek, zoals veel anderen.

Het oude beeld van de brede orthodoxie en de ketterse beweginkjes ernaast is nog altijd ijzersterk. Ook in deze boeken wordt gesproken van `proto-orthodoxie', dus met een directe verwijzing naar de latere dominantie. `In de eerste drie christelijke eeuwen waren de gebruiken en overtuigingen van de mensen die zichzelf christen noemden zo gevarieerd dat de moderne verschillen tussen rooms-katholieken, primitieve baptisten en zevendedagsadventisten er volkomen bij in het niet vallen', benadrukt Ehrman. De voorlopers van de orthodoxie, zoals de tweede-eeuwse kerkvaders Ignatius, Polycarpus, Irenaeus en Tertullianus, beheersen nog altijd de kerkgeschiedenissen. Maar in werkelijkheid waren ze in hun eigen tijd maar een paar uit velen. Ehrman beschouwt deze proto-orthodoxe stroming zelfs óók als een `lost christianity'. Want ook proto-orthodoxe kerkvaders als Origines en Tertullianus werden later gezien als ketters, omdat ze in details bleken af te wijken van de steeds verder verfijnde kerklijn. Kortom: er wàs geen vroegchristelijke orthodoxie, zelfs de proto-orthodoxie is een constructie achteraf.

`Natuurlijk', schrijft Ehrman, `in de tweede en derde eeuw waren er christenen die in één god geloofden. Maar er waren andere christenen die volhielden dat er twee waren. Sommigen hielden het op dertig goden. Anderen beweerden dat er 365 waren.' Sommige christenen geloofden dat de dood van Jezus het heil over de wereld had gebracht, anderen vonden dat die smadelijke dood er niets mee te maken had gehad. Sommige christenen geloofden zelfs dat Jezus nooit gestorven was, maar slechts als een soort schim op aarde had `geleefd'. Jezus was `volledig mens' volgens sommigen, `volledig God' volgens anderen, en weer anderen zeiden `allebei'. En er is geen enkele reden om de ene groep wel christen te noemen en de andere niet.

Ruwweg zijn in de eerste eeuwen, op grond van hun opvattingen over de persoon van Jezus, drie grote groepen te onderscheiden. Er zijn de joodse christenen, die waarschijnlijk het dichtst bij de eerste volgelingen van Jezus staan. Zij blijven trouw aan de joodse wetten, beschouwen Jezus als een bijzonder mens, een profeet, maar niet als God. De gnostici vormen de tweede groep. Zij moeten weinig hebben van de joodse wortels van het christendom. Zij zien Jezus als een afgezant van de hoogste God, een totaal niet-menselijke figuur die de dolende mensenzielen op aarde moet inlichten over hun ware aard: een deel te zijn van het allerhoogste. De proto-orthodoxen staan tussen deze twee groepen in, met hun Jezus-figuur als geheel mens en geheel God.

Het opvallendst is dat de latere orthodoxie geen eigen positie heeft, maar zich vooral tegen de anderen lijkt af te zetten. `In veel gevallen was het de weerzin tegen de alternatieven waardoor proto-orthodoxe christenen tot bepaalde overtuigingen kwamen', schrijft Ehrman. Tegenover de joodse christenen stelden de proto-orthodoxen Jezus de God, tegenover de gnostici Jezus de mens. Het onderscheidende element van de proto-orthodoxen ligt veel meer in hun nadruk op eenheid en in hun strakke organisatiegraad met de bisschop aan de leiding, iets dat de andere groepen vrijwel volledig missen en dat waarschijnlijk ook hun ondergang heeft veroorzaakt.

Totdat de orthodoxie ging domineren in de vierde eeuw, krioelden tientallen, zo niet honderden christelijke stromingen door elkaar. De veelheid van teksten is er de reflectie van. Ehrman laat deze teksten weer tot leven komen. Voor sommige `verloren' teksten scheelde het niet veel of ze hadden uiteindelijk de grote prijs gewonnen: opname in het Nieuwe Testament. De `Brief van Barnabas' en de apocalyptische `Herder van Hermas' staan bijvoorbeeld in het oudste volledige manuscript van het Nieuwe Testament, de Codex sinaiticus uit de vierde eeuw. Pas eind vierde eeuw, met de gezaghebbende brief van bisschop Athanasius uit 367 en de synode van Hippo in 393 werd de canon definitief gesloten (vier evangelies, één handelingen, 21 brieven en één openbaring).

Een aantal boeken (zoals de brief van Barnabas) viel buiten de boot omdat het vervalsingen waren: op naam gezet van een apostel, maar in werkelijkheid veel later geschreven.

Veruit de meeste evangelies en brieven werden uiteindelijk afgewezen omdat de inhoud niet overeenkwam met de officiële lijn van de vierde-eeuwse staatskerk. Van sommige zijn alleen nog citaten over bij orthodoxe polemisten. Andere doken al dan niet in fragmenten op in de Egyptische woestijn, zoals een fors deel van het Evangelie van Petrus dat daar in 1887 werd gevonden in een tombe van een achtste-eeuwse monnik.

`Wat', zo vraagt Ehrman, `zou er gebeurd zijn als het Nieuwe Testament had bestaan uit de Evangelies van Philippus, Petrus, Thomas en Maria, in plaats van Johannes, Mattheüs, Marcus en Lucas?' De vergeten evangeliën, handelingen en brieven hebben allemaal hun eigen agenda, laat Ehrman duidelijk zien. De een wil Jezus voorstellen als machtige god, de ander legt juist de nadruk op de joodsheid van Jezus. Maar die `subjectiviteit' geldt evenzeer voor de nieuwtestamentaire teksten, waar Lucas duidelijk de nadruk legt op de afwijzing van Jezus door de joden, Marcus hem presenteert als wonderdoener èn als lijdende messias, en Johannes de allesoverheersende goddelijkheid van Jezus benadrukt.

Elaine Pagels maakt duidelijk dat tegenwoordig het hele evangelie gelezen wordt met de ogen van Johannes: Jezus als Zoon van God. Dàt is de dominante stem geworden, die zelfs de andere geluiden bij Mattheüs, Marcus en Lucas overstemt. Een belangrijk deel van Pagels' boek gaat over de contrasten tussen het gnostische Evangelie van Thomas en het Evangelie van Johannes – in de tweede eeuw geduchte concurrenten. Volgens het Evangelie van Thomas moet de christen zèlf zijn heil bewerkstelligen, zijn innerlijk licht terugvinden – dat is Jezus' boodschap. Maar in het Evangelie van Johannes is Jezus zèlf de boodschap geworden en is `passief' geloof in Jezus als heilsbrenger het enige dat de christen te doen staat.

Deze kwestie gaat niet alleen gelovige christenen aan, benadrukt Ehrman. Als niet de orthodoxe variant van het christendom, met haar grote nadruk op hiërarchie, eenheid en vastgelegde geloofswaarheden de dominante vorm van het christendom was geworden, was het christendom in de vierde eeuw waarschijnlijk niet de staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk geworden. De alternatieven waren veel te wanordelijk en slecht georganiseerd om aantrekkelijk te zijn voor een keizer. En wat dan? Dan had de geschiedenis van Europa en er totaal anders uitgezien: geen kloosters, geen Middeleeuwen, geen Renaissance en geen Verlichting.

Dat het orthodoxe christendom dominant werd is niet verwonderlijk. Zij hadden de betere organisatie. Maar er was meer. De concurrenten wierpen uiteindelijk cruciale hindernissen op voor een massale toeloop van heidenen. De joodse christenen hielden vast aan de voor potentiële bekeerlingen weinig aantrekkelijke joodse spijswetten èn de verplichte besnijdenis van mannen. En de gnostische christenen hadden juist weer een probleem dankzij hun verwerping van het joodse erfgoed. Want in de oudheid was voor een religie het bezit van een eeuwenoude traditie een teken van cruciale betrouwbaarheid en respectabiliteit. De orthodoxen combineerden de voordelen van de andere twee: wèl de joodse traditie (zoals acceptatie van het volledige Oude Testament dat helemaal naar Jezus werd toegeïnterpreteerd) maar níet die hinderlijke wetten.

Wanneer het Evangelie van Petrus canoniek zou zijn geworden, was in ieder geval de iconografie van de opstanding er geheel anders uit gaan zien. Want daarin figureren drie reuzen en een sprekend kruis. De Romeinse soldaten die de nacht na de kruisiging Jezus' graf bewaakten hoorden namelijk een groot lawaai en zagen de hemelen opengaan, zo valt er te lezen. Twee stralende jonge mannen kwamen naar beneden en gingen het graf binnen. Geschrokken wekten de soldaten hun centurion en de joodse leiders die uit voorzorg ook bij het graf aanwezig waren. Toen zagen ze drie gigantische mannen het graf uitkomen: twee met hun hoofden tot aan de hemel, ondersteunden een derde die zelfs tot boven de hemelen reikte. En achter hen aan liep een kruis. Een stem klonk uit de hemel: `heb je gepreekt tot hen die in slaap zijn?'. En de soldaten en de joodse leiders hoorden het kruis antwoorden: `ja'.

Volgens Ehrman stamt het Evangelie van Petrus waarschijnlijk uit het begin van tweede eeuw – nauwelijks later dan de teksten uit het `officiële' Nieuwe Testament. En belangrijker: waarschijnlijk was dit Evangelie van Petrus in de eerste drie eeuwen van het christendom populairder dan het nu zo vertrouwde evangelie van Markus.

Het gaat hier niet om de vraag welke tekst de meest betrouwbare historische informatie geeft over het leven en dood van Jezus van Nazareth, maar om de vraag welke documenten door de vroege christenen zèlf werden gekoesterd. Uiteindelijk zijn de evangelies die in het Nieuwe Testament terecht zijn gekomen wel de oudste, maar vanzelfsprekend was dat allerminst. Het verworpen Evangelie van Thomas bijvoorbeeld is waarschijnlijk net zo oud. Ook hoeven de vroegst opgeschreven tradities niet per se de meest betrouwbare te zijn. Het Evangelie van Petrus is vermoedelijk buiten de boot gevallen omdat er argumenten in konden worden gevonden dat Jezus niet ècht had geleden aan het kruis. Daar zijn Jezus' laatste woorden namelijk: `Mijn kracht, mijn kracht! Je hebt mij achtergelaten!', een tekst die goed past bij de zogeheten docetische theorie die zegt dat Jezus' lichaam slechts het vehikel was geweest voor de goddelijke Christus, die hem vlak voor zijn dood weer verliet. Christus zelf is in deze visie dus niet gestorven.

En zo zijn er veel vergeten teksten uit de tweede eeuw en later. Ze vertellen vaak vreemde verhalen, maar toen waren het serieuze religieuze teksten. En in feite bevatten de bekende evangeliën vergelijkbare `rariteiten', al valt dat niet meer op door langdurige gewenning en geoefende herinterpretatie.

De bekendste tekst van het `verloren christendom' is het Evangelie van Thomas uit het begin van de tweede eeuw. Het is een simpele opsomming van 114 uitspraken van Jezus waarvan sommigen in een andere vorm te vinden zijn in de bekende evangelies, maar sommige niet. Wat te denken van het Jeugdevangelie van Thomas, dat omstreeks 125 wordt gedateerd? Daarin wordt de jeugd beschreven van Jezus die een nogal onuitstaanbaar jongetje blijkt. Een jongetje dat nogal hard tegen Jezus aanrent, wekt zijn woede op: `Jij zult je pad niet vervolgen!', roept Jezus uit en het jongetje valt dood neer. Of neem het Proto-evangelie van Jacobus uit 150, waarin de vroedvrouw met haar hand voelt of Maria Jezus werkelijk maagdelijk ter wereld heeft gebracht. En daar zijn de Handelingen van Johannes uit het jaar 180, waarin deze discipel vertelt over de geheimzinnige dans die Jezus en zijn leerlingen dansten na het laatste avondmaal: `Hij beval ons hand in hand in een cirkel te gaan staan en hij zelf stond in het midden'. Jezus zong bij de dans en de discipelen riepen `Amen!' na iedere zin.

Het allervreemdste, bijna clowneske verhaal is wel dat uit de vrij late Handelingen van Thomas. Bij de verdeling van de wereld onder de apostelen is op Thomas het lot gevallen om India te bekeren, maar hij wil niet. Jezus keert daarom tijdelijk terug op aarde en gaat naar een Indiase scheepskapitein die een timmerman zoek om voor zijn koning een paleis te bouwen. `Ik ken er wel een', zegt Jezus, `mijn slaaf Thomas. Je mag hem kopen.' En zo geschiedt. Waarop de kapitein naar de niets vermoedende Thomas gaat en vraagt: `Ben jij een slaaf van Jezus?'. Enthousiast zegt Thomas: `Ja! Jezus is mijn meester!'. `Kom dan maar mee', zegt de kapitein. Een schrale troost is dat Jezus het geld dat hij van de kapitein kreeg, toestopt aan Thomas, voor onderweg.

Bart Ehrman: Lost Christianities. The battle for scripture and the faiths we never knew. Oxford University Press, 294 blz. €30,–

Bart Ehrman (ed.): Lost Scriptures. Book that did not make it into the New Testament. Oxford University Press 342 blz. €30,66

Elaine Pagels: Beyond Belief: The Secret Gospel of Thomas. Vintage Books, 272 blz. €21,44. Vertaald als: Ketters en rechtgelovigen. De strijd om de ware leer in het vroege christendom. Servire, 192 blz. €19,99