De `internationale gemeenschap' bestaat niet

Politici praten vaak over een internationale gemeenschap die iets zou willen of die borg zou staan voor vrede en veiligheid. Die term is verwarrend, misleidend en onjuist, vindt Duco Hellema.

`De internationale gemeenschap': wie schwärmt niet graag met dit begrip? Ze verricht immers, zo wil het gejubel over de internationale gemeenschap ons doen geloven, grootse taken: ze bestrijdt het terrorisme, bevordert vrede, en strijdt voor democratie. Daarom moet ze, zo menen verscheidene Nederlandse commentatoren en politici, onder wie premier Balkenende na zijn recente gesprek met VN-secretaris-generaal Kofi Annan, ook voorlopig in Irak blijven.

Maar bij nader inzien is de term `internationale gemeenschap' problematisch. In de eerste plaats is het begrip verwarrend. Bij verschillende gelegenheden worden er zeer uiteenlopende instanties mee bedoeld. De in Kosovo, Irak of Afghanistan aanwezige buitenlandse troepen, organisaties en functionarissen worden vaak aangeduid als internationale gemeenschap. Maar dat zijn per geval uiteenlopende verbanden van staten en organisaties. Ook eigenmachtig optredende staten, zoals Groot-Brittannië en de VS, duiden zichzelf graag aan als internationale gemeenschap, of suggereren te handelen uit naam daarvan. Soms lijkt het ook alsof met die term de westerse wereld wordt bedoeld, soms alle staten met uitzondering van zogeheten rogue states.

De term is ook misleidend. Enkele maanden geleden zette minister van Defensie Kamp, in een terugblik op de oorlog tegen Irak, uiteen, hoe het nu allemaal volgens hem was gegaan. Eerst had, aldus Kamp, de internationale gemeenschap Irak, middels een aantal Veiligheidsraadsresoluties, eisen gesteld. Toen het Iraakse bewind niet aan die eisen tegemoet kwam, had de internationale gemeenschap vervolgens het besluit genomen een oorlog te beginnen, zo zei hij. Een dergelijke redenering is misleidend.

Want Kamp suggereert hier dat niet de Verenigde Staten en Groot-Brittannië Irak hebben aangevallen, maar de internationale gemeenschap. Er wordt zelfs de indruk gewekt alsof die boven de Verenigde Naties zou staan, de Veiligheidsraad zou dirigeren en bovendien het recht zou hebben een oorlog te beginnen ook al weigert de Veiligheidsraad daarmee uitdrukkelijk in te stemmen.

Het begrip `internationale gemeenschap' is ten slotte gebaseerd op feitelijke onjuistheden. Er wordt gesuggereerd dat sprake is van een universele morele autoriteit die zelfs boven de VN lijkt te staan en eigenmachtig kan optreden. Maar een dergelijke instantie bestaat niet. Dit wil niet zeggen dat de wereld louter wordt beheerst door macht en eigenbelang. Men zou met enig optimisme kunnen zeggen dat er zoiets bestaat als een wereldgemeenschap van staten, waarbinnen bepaalde politieke en morele normen worden aangehangen. Er hebben zich immers in de loop van de negentiende en twintigste eeuw, ondanks alle oorlogen en andere rampen, internationaal aanvaarde humanitaire regels ontwikkeld, die het handelen van staten aan banden leggen. Het humanitair oorlogsrecht en de rechten van de mens zijn daarvan belangrijke voorbeelden. De Verenigde Naties bieden het perspectief op verdere ontwikkeling van dergelijke universeel aanvaarde normen en waarden.

Maar deze normen zijn broos en hun toepassing is omstreden. Hun verdere ontwikkeling vereist een langdurig en zorgvuldig engagement. Er is onder de huidige omstandigheden geen autoriteit, behalve de Verenigde Naties, die zich kunnen aanmatigen uit naam van deze, deels nog rudimentaire, humanitaire beginselen een oorlog te beginnen. Het is zelfs zo dat degenen die namens de zogenaamde internationale gemeenschap ten strijde trekken de ontwikkeling van een ware wereldgemeenschap eerder belemmeren dan bevorderen.

Het valt te hopen dat bij het komende Kamerdebat over de aanwezigheid van Nederlandse troepen in Irak, de deelnemers de dingen bij de naam noemen. Laten ze spreken over de Verenigde Naties als ze de Verenigde Naties bedoelen, over de NAVO als ze de NAVO bedoelen, en over individuele staten als ze die bedoelen. Maar laten ze zwijgen over de `internationale gemeenschap' – tenzij ze echt alle staten van de wereld bedoelen. Maar deze wereldgemeenschap is verdeeld over de oorlog tegen Irak, zoals ze ook verdeeld is over veel andere kwesties. Die constatering moet tijdens het Kamerdebat klinken, niet de zalvende uitspraak dat ,,de internationale gemeenschap vooralsnog in Irak moet blijven''.

Duco Hellema is als hoogleraar in de Geschiedenis der Internationale Betrekkingen verbonden aan de Universiteit Utrecht.