Antiglobalisten staan niet alleen in hun opstand

Het liefst zou ik mijn fabrieken op een boot zetten en daarheen varen waar de omstandigheden op zeker moment het gunstigst zijn. Zo ongeveer luidde een kwart eeuw geleden het credo van de toenmalige leider van Philips. Die toestand is inmiddels werkelijkheid geworden, zij het dat er geen boot aan te pas komt. Ondernemingen in Noord-Amerika en West-Europa verleggen met het grootste gemak hun producties naar landen met een laag loonpeil, mits er stabiliteit heerst en goed opgeleid werkvolk voorhanden is. Daarbij gaat het allang niet meer alleen om fabrieken, maar in toenemende mate ook om dienstverlening. Hooggekwalificeerde banen verdwijnen naar Oost-Europa, India en China.

Er is een oud gezegde in de economie dat als het water stijgt alle boten mee stijgen. Vrijhandel, zo wil het dogma, stimuleert, dankzij concurrerende prijzen, de algemene welvaart. Uiteindelijk zal iedereen daarvan profiteren, ook zij die als direct gevolg van de groeiende competitie hun baan verloren. Het water stijgt nu inderdaad, maar eerder tot de lippen van politieke leiders. Zij beginnen hoorbaar benauwde geluiden te maken. Kanselier Schröder verweet onlangs ondernemers die arbeidsplaatsen naar lagelonenlanden overbrengen, `onpatriottisch' handelen. De nieuwe secretaris-generaal van de SPD sprak van `Vaterlandslose Gesellen', een beschimping die in een ver verleden eerder in omgekeerde richting dienst deed.

Zij hebben reden ongerust te zijn. Der Spiegel publiceerde een vergelijkend overzicht van ondernemingslasten in Oost-Europese landen en in de Bondsrepubliek. De laatste voert met groot verschil de lijst aan: met de hoogste belastingen, het hoogste brutoloon en de kortste arbeidstijd. In 2002 lag het brutomaandloon in Duitsland op 2.460 euro, gevolgd door Slovenië met 1.020 euro. De rij werd gesloten door Letland met 284 euro. Litouwen scoorde het laagst in de tabel winstbelasting: 13,1 procent tegen Duitsland 36 procent. Aantal gewerkte uren per week: Polen scoorde met 45,2 het hoogst tegen Duitsland 37,8.

Globalisering in de praktijk. Het zijn niet alleen de anti-globalisten of de anders-globalisten, zoals sommigen zich nu noemen, die in opstand komen. Begin januari betrokken in de International Herald Tribune twee auteurs stelling tegen `outsourcing' die zich niet onder de betogers in Seattle, Davos of Genua zullen hebben gemengd. Senator Charles Schumer van New York en Paul Craig Roberts, staatssecretaris van Financiën in de regering-Reagan, publiceerden in die krant een artikel onder de kop `Exporting jobs is not free trade'. Ook zij kwamen met intrigerende voorbeelden: overbrenging van banen in de software-sector en in de radiologie naar India. Een baan die in Amerika betaald wordt met 150.000 dollar per jaar, kost de ondernemer in India 20.000 dollar.

Schumer en Roberts zien drie `seismische verschuivingen' in de wereldeconomie: politieke stabiliteit die technologie en kapitaal vrijelijk door de wereld laat stromen, krachtige onderwijssystemen in ontwikkelingslanden, vooral in India en China, die tientallen miljoenen intelligente en gemotiveerde maar relatief goedkope werkers afleveren, nieuwe communicatietechnologie die het mogelijk maakt om arbeidskrachten waar ook ter wereld te benutten. Amerikaanse werkers zullen als gevolg daarvan op bijna ieder niveau competitie ervaren uit andere werelddelen, ,,van de machinebankwerker tot de software-specialist in Wall Street''. Wiens baan geen dagelijkse `face-to-face interaction' vereist loopt het risico vervangen te worden door een lager betaalde, maar even goed opgeleide werker duizenden mijlen ver weg, waarschuwen de auteurs.

In een wereld waarin traditionele plaatsgebonden comparatieve voordelen zoals bodem, klimaat en geografie kunnen worden ondermijnd door verplaatsing van productiefactoren naar een paar landen waar goedkope en gekwalificeerde arbeid in overvloed aanwezig is, is er niet langer sprake van gedeelde opbrengsten, menen Schumer en Roberts. Sommige landen winnen, andere verliezen.

Het is een somber vooruitzicht dat zich nauwelijks laat opfleuren met beloften van de aanstaande kenniseconomie waaraan bijvoorbeeld de EU onlangs met de oprichting van een speciale commissie opnieuw lippendienst bewees. Toen in de jaren '80 hele reeksen traditionele industrieën hun houdbaarheidsdatum bleken te hebben overschreden, werd uitzicht geboden op de schepping van nieuwe hoogwaardige banen in op dat moment voor velen nog nauwelijks voorstelbare revolutionair nieuwe bedrijvigheid. En als de markt niet spontaan de vereiste `excellence' zou opleveren, diende de staat met zijn toen nog enigszins acceptabel bevonden industriepolitiek potentiële winnaars op te sporen en aan te moedigen.

De zieners van die tijd kregen gelijk met de ontplooiing van de informatietechnologie en van de `nieuwe economie'. Maar de fasen in de economische ontwikkeling volgen elkaar steeds sneller op. IT en NE zijn er om bij ons te blijven, maar niet `bij ons' in de beperkte betekenis van de geïndustrialiseerde of rijke of eerste wereld zoals wij die kenden. Juist kennis en innovatie bewegen zich tegenwoordig vrijelijk over een grenzeloze wereld en zijn niet langer het unieke bezit van een westers monopolie.

De optimisten keren de somberheid met het ongerijmde. De Duitse Kamer van Koophandel heeft uitgerekend dat vorig jaar van de half miljoen verloren gegane arbeidsplaatsen er niet meer dan 50.000 voor rekening van verplaatsing van banen naar het buitenland kwamen. In de jongste aflevering van Foreign Policy schrijft Gene Sperling, presidentieel adviseur in de regering-Clinton: ,,In Amerika is niet het plotselinge verlies van banen aan de wereldwijde competitie de oorzaak van de weeën op de arbeidsmarkt, maar het onvermogen nieuwe arbeidsplaatsen te scheppen om de banen te vervangen die verloren gingen in de omwenteling van de `dynamism economy'.''

Zou dat onvermogen nu juist niet het echte probleem maskeren?

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.