Topposities ECB niet voorbehouden aan grote landen

De Europese ministers van Financiën hebben bij hun zoektocht naar een opvolger voor de Spanjaard Domingo-Solans de indruk gewekt geen oog te hebben vor kandidaten uit de kleine landen. Daarmee geven zij een verkeerd signaal af, vindt Melvin Krauss.

Het voorstel van de Europese ministers van Financiën om in de leiding van de Europese Centrale Bank (ECB) de Spanjaard Manuel González-Páramo tot opvolger van zijn landgenoot Domingo-Solans te benoemen, schept een gevaarlijk precedent.

Zo zou de vervanging van de ene Spanjaard door de andere tot gevolg kunnen hebben dat de Italianen, als komend jaar Tommaso Padoa-Schioppa aftreedt, het `recht' op die vacature opeisen. En dat ook de Duitsers wanneer in 2006 Otmar Issing aftreedt het `recht' opeisen hem weer door een Duitser te vervangen.

Een permanente zetel in de ECB-leiding voor de grotere landen – Spanje, Frankrijk, Duitsland en Italië – zou voor de andere lidstaten van de EU maar twee zetels overlaten.

Dit is niet alleen hoogst onbillijk tegenover de kleinere landen, maar het betekent ook een geweldige terugslag voor de politieke onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank en de deskundige besluitvorming bij de ECB.

De vereisten voor het lidmaatschap van de ECB-leiding zijn nauwkeurig beschreven in het Verdrag van Maastricht, en `nationaliteit' is geen criterium. ,,De president, de vice-president en de andere leden van de Uitvoerende Raad zullen personen van naam en faam zijn, met algemeen erkende professionele ervaring op monetair en bancair terrein...''

Het is uit met de meritocratie als de belangrijke banen naar de mensen uit het `juiste' land gaan, in plaats van naar degenen met de `juiste' vaardigheden.

Natuurlijk is het heel goed mogelijk dat González-Páramo de aangewezen man is om zijn landgenoot Domingo-Solans op te volgen. Dat zal ook zeker de officiële lezing zijn. Maar de Europese ministers van Financiën hadden gevoeliger moeten zijn voor de omstreden kwestie van de permanente zetels voor de grote landen, alvorens de ene Spanjaard door de andere te vervangen.

Als de ministers écht op zoek waren gegaan naar de beste, was er volgens ingewijden een voortreffelijke kandidaat uit een klein land – dat tot nog toe niet in de leiding vertegenwoordigd is geweest – wiens geloofsbrieven minstens zo indrukwekkend waren als die van González-Páramo. Waarom hebben ze hem niet gekozen?

Het is doodzonde om kandidaten uit de kleine landen voor de hoogste posten bij de Europese Centrale Bank `uit te sluiten', alleen omdat de kandidaten uit de grote landen niet bereid zijn met hen om banen te concurreren. In de korte geschiedenis van de ECB kwamen soms de beste mensen uit de kleine landen. Denk aan oud-ECB-president Wim Duisenberg en het hoofd van de Nederlandse centrale bank Nout Wellink – een invloedrijk lid van de ECB-Bestuursraad. Deze mensen hebben uitzonderlijke invloed gehad, dankzij hun talent en hun gerichtheid op Europa.

De Nederlanders volgen geen eng-nationalistische koers – die hebben ze helemaal niet. Niet eenmaal heeft Wim Duisenberg tijdens zijn ambtstermijn het monetair beleid gericht naar het beperkte Nederlandse belang. Dat zou ook onzinnig zijn. De vraag voor deze centrale bankiers is, en is ook altijd geweest: wat is het beste voor Europa?

Permanente zetels betekenen ook een ernstige bedreiging voor de politieke onafhankelijkheid van de ECB. Europa is er niet bij gebaat dat zijn belangrijkste monetaire besluiten worden genomen door `politieke' figuren wier eerste loyaliteit misschien niet ligt bij het inflatiemandaat van het Verdrag van Maastricht en bij het ideaal van de `goede centrale bankier' in de Europese traditie.

De invloed van politici op de monetaire besluiten van de Europese Unie zal onmiskenbaar toenemen wanneer meer centrale bankiers door `positieve discriminatie' in de ECB-leiding komen. Kwaliteit en politieke onafhankelijkheid gaan bij de Europese bank hand in hand.

Natuurlijk zal Spanje misschien tekeergaan over `uitsluiting' als González-Páramo zijn landgenoot Domingo-Solans niet mag opvolgen. Maar de grote landen hebben niet louter op grond van hun grootte recht op een plaats in de ECB-leiding.

Frankrijk heeft na het aftreden van Christian Noyer als vice-president en de verlenging van de termijn van Wim Duisenberg anderhalf jaar helemaal niet in de leiding van de Europese Centrale Bank gezeten. Als Frankrijk daar genoegen mee kon nemen, zou dat ook voor Spanje moeten gelden.

Melvin Krauss is vebonden aan het Hoover-instituut van de Amerikaanse Stanford-universiteit.