Rokende rookzuilen

De Tabakswet heeft gezorgd voor een nieuw verschijnsel op trein- perrons: de rookzuil. Uit de buik van deze zuilen stijgen vaak vieze rookwolken op. Een ontwerpfout?

Daar staan ze, ingeklemd tussen kiosk en roltrap op perron 11 van Utrecht Centraal. De spitsrokers. Traag en in zichzelf gekeerd cirkelen ze om de rookzuil heen, die dikke wolken naar asbak ruikende rook uitbraakt. Af en toe stapt een roker de kring in en gooit de opgerookte sigaret in de buik van de zuil, en voedt zo het onzichtbare vuur.

Roos ter Avest steekt een sigaret op. De studente aan de kunstacademie kan er wel om lachen. ,,Dat ding rookt meer dan wij allemaal bij elkaar.'' Ze ziet het overal, ,,ook in Deventer, en zelfs Almelo''. Voor haar is het zelfs handig. ,,Ik hoeft nooit lang te zoeken waar die zuilen staan.'' Ze ziet al snel de rook die de zuilen als een permanent signaal voor asbakzoekenden uitzenden.

Wie regelmatig op stations komt, heeft ze waarschijnlijk gezien, die rookzuilen. Deze ranke palen, met een asbak in hun buik, markeren de rookzones, plekken waar op overdekte perrons toch nog gerookt mag worden sinds het algehele rookverbod op stations op 1 januari is ingegaan.

Uit veel van deze palen kringelt niet zelden een dun sliertje rook. Onder de juiste omstandigheden kan die uitgroeien tot een dikke walm, die door de omstanders met verbazing wordt bekeken. En ook als de stationsrokers het perron al lang weer voor de trein verlaten hebben, smeult het brandje, diep verborgen in de ingewanden van de zuil, en regelmatig gevoed door niet uitgedrukte sigaretten, lustig na.

Op perron 9 van Rotterdam Centraal steekt een man vlak bij de rookzuil een sigaret op. Als de wind een volle wolk asbaklucht uit de zuil zijn kant op spuwt, loopt hij fronsend weg. ,,Ze doen hun naam wel eer aan. Behoorlijk smerig, die dingen.'' Het is Michael de Ruiter wel vaker opgevallen. Hij lacht schamper. ,,Je kan die peuken ook nauwelijks uitdrukken. Dat is toch wel een beetje een ontwerpfoutje, lijkt me zo.''

Nee hoor, legt een woordvoerder van NS uit. Het is juist de bedoeling dat rokers hun sigaretten niet kunnen uitdrukken. Want dan branden ze in de rookzuil op, en dat scheelt weer plaats, dus hoeft de asbak minder vaak geleegd te worden. Maar bij normaal gebruik hoor je daar niets van te merken, en gaat de zuil niet roken. ,,Het roken gebeurt omdat mensen er andere dingen zoals papiertjes ingooien'', weet de woordvoerder. Terwijl de opening in de zuil zo smal is gemaakt om juist dat te vermijden. Ze zijn er vaker voor gebeld, bij de NS, dus ze weten ervan. Maar ze zien het nog niet als een probleem. ,,Die dingen worden gewoon hartstikke veel gebruikt. Je moet het zien als het succes van de rookzuil.''

Uit niet-representatief onderzoek op de stations van Rotterdam, Amsterdam, Den Haag en Utrecht blijkt dat het succes van de walmende rookzuil, vooral op de drukbezochte perrons, wijdverbreid is. De rookproductie vertoont een vrij regelmatig verloop. Zo'n tien minuten voordat een trein binnenkomt, komen de eerste rokers bij de zuil staan, die op dat moment meestal met korte, onregelmatige tussenpozen onschuldig ogende dunne witte slierten loslaat. Als de rokers hun eerste sigaret op hebben, proberen ze die, tegen de zin van de NS, netjes tegen de zuil uit te drukken, om de peuk vervolgens de zuil in te laten vallen. Het onzichtbare vuurtje grijpt deze brandstof gretig aan om zijn rookproductie bijna onmerkbaar te verhogen. Als er wat wind staat, helpt dat (schoorsteenfunctie).

Pas bij de tweede ronde sigaretten, die meestal pas half opgerookt zijn als de trein komt, slaat de zuil zijn slag. Want dan hebben de rokers haast. Gulzig trekkend aan de sigaret gebruiken ze hun laatste seconden om nog een beetje nicotine te scoren. Slordig, want geen tijd meer, gooien ze wat overblijft onuitgedrukt in de zuil.

Even lijkt er niets aan de hand. Maar na gemiddeld een halve minuut begint de zuil zich te gedragen als een vochtig kampvuur. Voor de argeloze voorbijganger zijn de dikke, grijze wolken die de paal uitbraakt volkomen onverklaarbaar. Als de brandstof op is, gaat de zuil langzaam weer op een sliertige waakvlam over. Behalve in de spits, dan krijgt het vuur geen kans meer om op te branden. Een plas water rond één van de bezochte rookzuilen lijkt aan te geven welke maatregel dan nog wel helpt.

Op Utrecht Centraal, perron 5, wacht de heer Stegeman op zijn trein. Met een gelukzalig gezicht geniet hij van de laatste trekjes van zijn sigaar. Hij wijst naar weer een smeulende zuil. ,,Dat is toch te gek voor woorden? Als je van je sigaartje wil genieten, moet je daar niet bij gaan staan.''