De kardinaal, de kerkvader en de supporters

De kranten brachten het maandag 5 april als groot nieuws: kardinaal Simonis bezocht voor het eerst sinds veertig jaar een voetbalwedstrijd. Hij trof het. Een spannende wedstrijd met acht doelpunten, vijf voor de ploeg uit de bisschopsstad en drie voor de club uit de residentie.

Volgens de beide trainers, Foeke Booy van FC Utrecht en Lex Schoenmaker van ADO Den Haag, was de uitslag mede tot stand gekomen door de zegen van de kardinaal in de kleedkamer van FC Utrecht. Van Foeke Booy mag de kardinaal bij iedere thuiswedstrijd in een skybox plaatsnemen, Lex Schoenmaker keek bedenkelijk bij deze suggestie. ,,We stonden na de zegen al met 1-0 achter'', was zijn gevatte commentaar.

Gaf de aanwezigheid van de kardinaal al aanleiding tot allerlei speculaties, zijn commentaar na afloop van de wedstrijd is nog interessanter. Simonis maakte namelijk een vergelijking tussen voetbal en religie. Het baart hem zorgen dat de kerken leeglopen, maar op de tribunes ontwaarde hij potentiële gelovigen. Ze moeten natuurlijk wel goede manieren krijgen, ze mogen niet meer `Haagse joden' roepen, mogen geen stoeltjes uit de tribunes trekken of stenen gooien, maar voor de rest zijn ze van harte welkom in de schoot van de katholieke kerk. Want supporters en gelovigen hebben één ding gemeen: emotie.

Het zou mij niet verbazen als Simonis vóór zijn bezoek aan de Galgenwaard gebladerd en gelezen heeft in de preken van Augustinus. Deze kerkvader wist rond het jaar 400 namelijk heel goed waartoe emoties een sportpubliek kunnen brengen. Want ook in zijn tijd waren supportersrellen een maatschappelijk probleem. De fans lieten zich in hun sportverdwazing volledig gaan en schuwden scheldpartijen en gewelddadigheden niet.

De plaats van handeling was het Circus Maximus in Rome, nu een grote kale vlakte, maar in de oudheid een renbaan van 580 meter lengte, waar 150.000 toeschouwers wagenraces van zeer hoog niveau voorgeschoteld kregen. Twintig tot dertig dagen per jaar. Acht of twaalf menners van de vier grote renstallen stuurden hun vierspannen met grote precisie rond een scheidingsmuur in de arena. Zeven ronden duurde de strijd, ongeveer negen minuten.

Op een dag werden 24 races afgewerkt. Altijd was er wel iets bijzonders te beleven. Nipte overwinningen, crashes, vals spel en combine, het kwam allemaal voor. Het bracht het publiek in grote opwinding. De fans op de tribunes, gekleed in de kleuren van hun favoriete renstal, scholden elkaar uit en gingen elkaar te lijf. Herhaaldelijk moest de ordepolitie uitrukken om de rust te herstellen.

Keurige aristocraten moesten niets hebben van die heksenketel waar de emoties vrij spel hadden. Ze raadden hun geestverwanten aan zich verre te houden van het Circus Maximus. Ze toonden geen enkel begrip voor supporters.

Augustinus wel, ook al was hij geen liefhebber van de wagenraces. Het is zelfs maar de vraag of hij het Circus Maximus ooit heeft bezocht. Maar in zijn preek De dilectione dei et proximi (Over de liefde voor god en voor de naaste) haalt hij de wagenmenners aan en stelt hij hen in zekere zin zelfs ten voorbeeld aan de gelovigen. Hun fanatisme, hun onvoorwaardelijke standvastige liefde voor hun favoriete renstal moet een voorbeeld zijn voor zijn christelijke broeders en zusters. Zoals de heidense fans volledig opgaan in hun liefde voor hun wagenmenners en, alles vergetend, niet meer weten wie en waar ze zijn, zo moeten de gelovigen alles van zich afzetten en zich in hun liefde totaal verlaten op de ene ware God.

Augustinus signaleerde overeenkomsten tussen de liefde van de supporters voor hun renstal en de onvoorwaardelijke trouw van de gelovigen aan de kerk. Simonis ging nog verder en sprak in de Galgenwaard over voetbalsupporters als potentiële kerkgangers.

De eerste stap is gezet. Nu is het wachten op een herderlijk schrijven van de kardinaal aan alle voetbalsupporters om hun trouw in dienst te stellen van God. Ik ben benieuwd hoe zij daarop zullen reageren.

Fik Meijer is hoogleraar Oude Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.