Beter evenwicht gewenst tussen markt en gemeenschap

Door de toegenomen mobiliteit worden onderlinge contacten vluchtiger. Dat leidt tot een vervlakking van onderlinge relaties en tot een afname van gevoelens van wederzijds respect, meent Henk de Vos.

Hans Boutelier heeft groot gelijk, wanneer hij stelt dat alleen hard en streng straffen niet werkt (Opiniepagina, 31 maart). Maar zijn aanbevelingen hoe het dan wel moet, zijn oppervlakkig en vrijblijvend. Het achterliggende probleem, het fragmenteren van gemeenschappen, blijft onbesproken.

Die aanbevelingen komen erop neer dat het kabinet de betrokkenheid van de samenleving moet stimuleren. Boutelier doet twee pogingen dit te concretiseren.

De eerste is dat instanties die te maken hebben met risicogroepen en -situaties (wijkpolitie, jeugdzorg, reclassering, banken, notarissen, voetbalstadions en particuliere beveiliging) systematisch ondersteund en gestimuleerd moeten worden tot risicomanagement en doelgerichte interventies.

Zou Boutelier kunnen aangeven om welke concrete maatregelen het hier precies gaat? Ik denk het niet. Te vaak komen goedbedoelende adviseurs met de oplossing dat iets ondersteund en gestimuleerd moet worden. In de enkele gevallen dat zulke adviezen worden uitgevoerd, betekent het dat ergens meer geld aan wordt toegekend zonder dat de verantwoordelijken veel idee hebben hoe het moet worden besteed.

Maar los daarvan, de belangrijkste vraag is natuurlijk waarom al die instanties niet nu al gewoon hun werk goed doen. De gedachte dat dat komt omdat ze niet voldoende ondersteund en gestimuleerd worden, is prematuur.

De tweede poging tot concretisering bestaat uit de aanbeveling dat burgers en instituties moeten worden geactiveerd. Bijvoorbeeld scholen, zwembaden, het maatschappelijk werk, de horeca, de sociale diensten en het welzijnswerk moeten zich meer bewust worden van hun normatieve functie. In sociologentaal: het sociale kapitaal van de samenleving (onderling vertrouwen, fatsoen, betrokkenheid) moet worden versterkt.

Ook hier blijft volstrekt onduidelijk wat die activering nu precies inhoudt. Oproepen, bijvoorbeeld van Postbus 51, zijn sympathiek maar halen weinig uit. De politieke reflex is om te proberen budgetten te verhogen, maar waarschijnlijk tevergeefs. En met het oog op welke concrete besteding? En weer is de echt belangrijke vraag hoe het toch komt dat al die instellingen zich nu niet voldoende van hun normatieve functie bewust zijn. Als we het antwoord daarop wisten, lijkt de kans klein dat we zouden denken dat het aan te weinig activering ligt.

Het probleem vraagt om een echte sociologische analyse van de onderliggende oorzaak. Die oorzaak is veelomvattend, maar daarom niet minder duidelijk aanwijsbaar. Mensen hebben, om zich onderling respectvol, fatsoenlijk en met zorg voor elkaar te gedragen, een gemeenschap nodig, een groep van langdurige en persoonlijke relaties, waarin ze zich thuis voelen, zich gewaardeerd en gecontroleerd voelen. Dat soort wederkerigheidsgedrag ontstaat niet in je eentje en ook niet doordat de overheid je daartoe oproept. Het komt tot stand doordat mensen in een gemeenschap opgroeien en als volwassenen een gemeenschap om zich heen ervaren.

Aan beide voorwaarden moet zijn voldaan. Er is voldoende sociologisch, psychologisch en pedagogisch onderzoek om deze bewering te ondersteunen. De vraag is dan: komt gemeenschap in onze samenleving nog wel voldoende tot stand? Het antwoord is: nee, en wel in steeds mindere mate. Dat gebeurt nu eenmaal in een maatschappij waar de markt wordt overgewaardeerd.

Hoe meer de markt zich ontwikkelt, hoe meer gemeenschappen fragmenteren, omdat de markt zich weinig gelegen laat liggen aan langdurigheid en persoonlijkheid van relaties. Marktwerking vraagt om mobiliteit, flexibiliteit en schaalvergroting. Daardoor zijn verhuis- en baanmobiliteit hoog. Er wordt wat uitgezwermd en daardoor fragmenteren gemeenschappen, worden onze sociale netwerken kleiner en minder stabiel. En leren we bij het opgroeien minder het wederkerigheidsgedrag en worden we van dag tot dag minder tot dat gedrag aangespoord. Het enige `nadeel' van déze analyse is dat er geen gemakkelijke, of gemakkelijk ogende, oplossingen uit voortvloeien. Maar het grote voordeel is dat pseudo-oplossingen ermee kunnen worden voorkomen, en dat kan veel geld schelen. De echte oplossing is dat we met elkaar, en dus de overheid, ons gaan bezinnen op het vinden van een beter evenwicht tussen markt en gemeenschap.

Natuurlijk willen we graag de voordelen van de markt. Maar als we ook de voordelen van de gemeenschap willen, moeten we leren om de markt in toom te houden. Naast marktwerkingsbeleid is er ook gemeenschapsbeleid nodig. De schaalvergroting kan door ruimtelijke ordening en vestigingsbeleid worden teruggedrongen. De lokale gemeenschap kan bevorderd worden door decentralisatie van bestuur naar buurt- en dorpsniveau (door overheveling van budgetten naar verenigingen van wijkeigenaren). Het bestaan van lokale ontmoetingsplekken kan wettelijk geregeld worden in plaats van aan de markt te worden overgelaten. Verhuizen kan worden ontmoedigd in plaats van vergemakkelijkt. De reclame, die ons oproept tot statuscompetitie in plaats van tot gemeenschapsgedrag, kan veel meer dan nu aan banden worden gelegd. Dit alles, en nog veel meer, kán, hoewel het niet gemakkelijk oogt. En als we het niet willen, moeten we niet langer zeuren over normen en waarden en onverschilligheid, over criminaliteit en zinloos geweld, en over fraude en zelfverrijking. Dat hoort er dan gewoon bij.

Henk de Vos is socioloog en universitair hoofddocent aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij schreef onder meer `Geld en de rest. Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapbeleid' in de Sociologische Gids, 2003, nr. 3.