Zo. En nu eerst een Bavaria

Zelfs een leek kan zien dat Gibson liegt als hij in zijn film The passion of the Christ het lijdensverhaal navertelt, vindt Desanne van Brederode. Wat de film wel duidelijk maakt, is dat het ergste aan welk lijden dan ook is, dat degene die het ondergaat de pijn niet kan stopzetten, niet kan overschakelen op een andere zender of stemming.

In het boek De Zaak 40/61 beschrijft Harry Mulisch de reacties op het Eichmannproces zo: ,,Al na de eerste getuigenissen werd afstomping merkbaar. (...) En natuurlijk is het ondraaglijk, wanneer de staatsburger met zijn ernstige zakenzorgen, de moeilijkheden met zijn zoon en het sterfgeval in de familie, geconfronteerd wordt met een familie, waarvan de vader vergast is, het kind in stukken gescheurd en de moeder door stervenden in een massagraf doodgebeten. Dat is ondraaglijk. Daar moeten de joden zo langzamerhand eens over ophouden. Wij weten het nu wel.''

Afstomping – veertig jaar geleden al een probleem, en nog steeds kent ieder weldenkend mens het verlangen niet gevoelloos te worden voor lijden, en de gruwel die mensen elkaar aandoen. Nooit willen we onszelf lafheid of escapisme hoeven verwijten. Dus: geen bezwaar tegen de beelden van 9/11, ook niet tegen de close-up van de springende man met het koffertje. Ik kan geen bloed zien, maar was niet tegen de fullcolour voorpaginafoto van de gewonde Pim Fortuyn, en achtte het terecht dat het hoopje afgerukt vlees, op de foto van de explosie in Madrid, niet was weggeretoucheerd om ons `te sparen'. Zeker, leuk is anders.

Om griezelzucht te bevredigen, kijk ik naar Psycho of The Silence of the Lambs – niet naar de nagespeelde laatste uren van Julie en Mélissa of naar de slokdarmoperatie van mijnheer Jansen. Er zijn genoeg films die een avond lekker janken garanderen, maar ik acht het onethisch voor dat doel Schindler's List te huren of The Killing Fields.

`Lekker' griezelen, `lekker' janken; al sinds de oudheid hebben mensen behoefte aan de catharsis die het drama genereert. Maar uit respect voor de slachtoffers weiger ik de verbeeldingen (hoe slecht ook) van wat ooit hun werkelijkheid was, te gebruiken voor eigen gerief.

Mel Gibsons film The Passion of the Christ bevat genoeg om zowel lekker te griezelen als te janken – voor mij als gelovige redenen om hem te mijden. Maar de wens om bij te blijven overwon, dus zat ik in de bioscoop. Hoewel Gibson beweert een getrouwe weergave van een historische gebeurtenis te bieden (waarmee hij veel kritiek uit theologische hoek oproept), zal ook een leek zien dat hij liegt. Ten eerste klinkt er tijdens de kruisiging een tranentrekkende sounddtrack. Ook nep: de androgyne, spookachtige Gothicfiguur, waarschijnlijk de verpersoonlijking van de duivel, die op cruciale momenten verschijnt, zoals in de Hof van Olijven en tijdens de kruisiging. Mogelijk heeft Gibson zich bij de casting laten leiden door de lijkwade van Turijn. Dat is een lieftallig portret en misschien was `de echte' dus ook wel een good-looking guy; blijft staan dat we makkelijker meeleven met aantrekkelijke lieden dan met lelijkerds en dat Gibson die neiging handig bespeelt. Driewerf kitsch. De flashback van het Avondmaal, van Jezus die de overspelige Maria van Magdala redt uit de stenenregen; het zijn videoclipjes in filterlicht, waaronder een zoete ballad van Madonna of George Michael niet zou misstaan.

Al met al dus een a-kunstzinnige, a-diepzinnige B-film waarmee je heus wel een aantal zieltjes kunt winnen. Leuk voor een kerk die kwantiteit nastreeft – persoonlijk zou ik mijn bedenkingen hebben bij de zielenkwaliteiten van degenen die zich door zo'n wanproduct laten bekeren.

Iedereen `weet nu wel' dat Christus de kruisdood is gestorven. De gelovige meent dat dit moest gebeuren om ons van onze zonden te verlossen, om bovendien de wederopstanding mogelijk te maken, de niet-gelovige kan het ten hoogste betreuren dat een man met alleen maar een handvol afwijkende ideeën daarvoor zo hardhandig werd gestraft – een misdaad van alle tijden, bovendien óók bedreven door hen die zich christenen noemden.

Aan deze basiskennis voegt de film niets toe, hij gaf me niks – maar vroeg wat van me. Uithoudingsvermogen. Kon ik nog wel zoveel lijden aanzien zonder geregeld mijn blik af te wenden? Zonder mezelf verveling toe te staan, of de sussende gedachte `die vleeswonden zijn er met veel vakmanschap opgeschminkt'. Kon ik mij voor twee uur verplaatsen in een gemartelde, of in de moeder die naar het geselen van haar zoon moet kijken?

Wat ontbreekt aan alle waargebeurde misère die we dagelijks te zien krijgen, is tijdsduur. We zien een beeld van een schotwond, uitpuilende, bloederige darmen, en onmiddellijk daarna een foto van het eerste lammetje van 2004. We zien weeklachten en doodsnood in over elkaar heen buitelende flitsen, doorsneden met reclamespotjes en studiogesprekken. Terwijl het ergste aan welk lijden dan ook is, dat degene die het ondergaat de pijn niet kan stopzetten, niet kan overschakelen op een andere zender of stemming.

Een vriend die een keer somber is, prima, maar niet na een jaar nog steeds dat geklaag; doe dat maar bij een therapeut. De eerste dagen aan mijn moeders sterfbed was ik de ontroerde toewijding zelve, (kijk mij eens! – en niemand keek...) maar na een week verdroeg ik de lelijkheid, traagheid en het gekreun amper meer en was er zelfs teleurstelling als ze toch haar ogen weer opende.

Meeleven, meelijden, het wordt pas moeilijk, nadat we de eerste schok en tranen hebben doorgemaakt. Sleur treedt in, samen met ergernis en zelfbeklag. (,,Wat zit ik hier nou nog; ik kan niks doen en de toestand verbetert toch niet''). Pas dan moeten we handelen: onzichtbaar, onheldhaftig worstelen met ons ongeduld en onze resultaatgerichtheid.

Het verhaal van Goede Vrijdag dat ik jaar in jaar uit aanhoor – nooit als een historisch drama, maar als steeds weer een nieuwe aanslag op het leven van iemand met wie ik een intieme relatie onderhoud (de absurditeit van het geloven; die relatie is niet wederkerig, en toch ben ik verplicht dat aan te nemen) heeft me vanzelfsprekend altijd diep geraakt. De veertien staties dragen allemaal hun eigen sfeer. Met alle karakters, Judas incluis, heb ik me wel een keer geidentificeerd. Op het moment dat Christus de laatste adem uitblaast, ben ik zelf ook kapot, als na een rit door de hele achtbaan van menselijke tragiek.

Lag het zwaartepunt voor mij steevast op Christus' laatste uitroep (die alles zo menselijk, ja herkenbaar maakte) `Mijn God, mijn God waarom hebt ge mij verlaten?' mede door de Gibsonfilm is dit verplaatst naar de vraag waarmee het lijdensverhaal in boek en film een aanvang neemt.

De discipelen, die hij vlak daarvoor nog tot vrienden heeft gepromoveerd, zijn in de Hof van Olijven in slaap gevallen, terwijl Christus bloed zweet van doodsangst. Er is geen weg terug. Zijn vraag luidt: ,,Kunnen jullie dan niet één nacht met mij waken?'' en die verwijst naar ons werkelijke drama.

Gelovig of niet gelovig, het is die vraag die beangstigt. Getuigenissen en beelden van geweld en leed prima, maar niet langer dan een paar minuten. Dan hebben we onze morele kijkplicht vervuld. Even langs bij een zieke tante, de rouwende vriendin naar een chatgroep voor lotgenoten doorverwijzen of gauw een handtekening onder een petitie tegen de doodstraf voor een onbekende crimineel in Texas; een goed begin is het halve werk, maar al ruim voor het goede einde hunkeren we naar herstelwerkzaamheden voor ons uitgewrongen ego. Zo. Nu eerst een Bavaria. Twee uur waken is al een aanslag, dan `weten we het wel'. En dat is hetzelfde als niets weten. De wil is er, het hart is er ook – maar tijd ontbreekt ons. Altijd.

Desanne van Brederode is schrijfster.