`Wetten hebben voorrang op incidenten'

De Kamer holt van incident naar incident, stelt de vice-president van de Raad van State. De fractieleiders van CDA en PvdA erkennen hun fouten.

De bezwaren zijn niet nieuw, maar dat nu ook de `onderkoning' van Nederland ze uit, mag als een serieus signaal worden opgevat. De Tweede Kamer leidt aan `incidentalisme': van incident naar incident rennen. Dat constateerde vice-president Herman Tjeenk Willink van de Raad van State (het hoogste adviesorgaan van de regering) gisteren in het jaarverslag van de Raad over 2003. Daar komt bij dat er de afgelopen twee decennia ,,een tussenlaag'' is ontstaan van toezichthouders, adviseurs en rekenmeesters die het goed besturen van het land nagenoeg onmogelijk maakt.

De fractievoorzitters van de twee grootste politieke partijen, de CDA'er Maxime Verhagen en PvdA-leider Wouter Bos, trekken zich de kritiek van Tjeenk Willink aan, zo blijkt. Verhagen: ,,De Kamer verwordt in toenemende mate tot een instituut dat van incident naar incident holt. Het lijkt af en toe wel een Poolse landdag.'' Bos: ,,We zijn er niet goed in, in het beperken. De samenleving is ook zo complex geworden. Al zou je het willen, het lukt je niet.''

Bos en Verhagen vinden beide dat de huidige ontwikkelingen, zoals geschetst door Tjeenk Willink, ,,zorgelijk zijn''. Tjeenk Willink stelt dat het ontbreekt aan een duidelijke visie op de positie en rol van de staat, en aan goede analyses. Verhagen: ,,We moeten onze taak als volksvertegenwoordiger en medewetgever serieuzer nemen, het moet anders.'' Bos: ,,Politici durven nu geen verantwoordelijkheid te nemen. Het zou beter zijn om het verschil tussen woord en daad zo klein mogelijk te houden, dat probeer ik zelf. Een beetje bescheidenheid past ons.''

Bos en Verhagen erkennen dat hun fracties zich schuldig maken aan de incidentenpolitiek. Verhagen: ,,Het is een cultuur onder Kamerleden om op de media te reageren.'' Bos: ,,Zowel politici als journalisten staan onder continue druk om niets te missen. Dat systeem houdt zichzelf in stand. Als een andere fractie eerder een spoeddebat op de agenda zet, denk ik ook wel eens: hè, dat hadden wij moeten doen.''

Verhagen hekelt de spoeddebattencultuur. Vorige week ging de Tweede Kamer akkoord met de maatregel dat voor het houden van spoeddebatten niet meer een meerderheid nodig is, maar minimaal 30 zetels. Verhagen is er ongelukkig mee. Hij noemt een voorbeeld van gisteren. Het Kamerlid Vendrik (GroenLinks) wilde minister Donner (Justitie) naar de Kamer halen voor een spoeddebat over vermeende witwaspraktijken in Holland Casino. ,,Wij hebben toen met spoed bolletjesslikkers geagendeerd. Dat onderwerp staat al zo lang te wachten op behandeling. We zouden een proef doen van 100 dagen en daarna evalueren, maar het is nu al zo vaak uitgesteld dat we langer wachten op het debat dan dat de hele proefperiode heeft geduurd. Donner woont zo ongeveer in de Kamer, maar debatten over wetten hoeft hij nauwelijks te voeren. Als wij het willen, hebben we elke dag een spoeddebat. Dat werkt dus niet, die spiegel hebben we de Kamer gisteren willen voorhouden.''

Verhagen zegt dat Kamerleden zich meer moeten realiseren dat het Kamerwerk vaak ook monnikenwerk is, en dat is af en toe lastig. ,,De cultuuromslag zal er hoe dan ook komen, anders keert de wal het schip. Dan zal de kiezer zich meer dan nu al afkeren van de politiek.'' Verhagen wil binnenkort in het presidium (het dagelijks bestuur van de Tweede Kamer) over de incidentenpolitiek spreken. ,,We zouden wetgeving die al klaar ligt om behandeld te worden voorrang moeten geven. De Kamer zou een aantal uren per week moeten reserveren voor de behandeling van wetten. De tijd die overblijft kunnen we dan eventueel besteden aan spoeddebatten. De mate van urgentie moet bepalend zijn of een spoeddebat gerechtvaardigd is, niet het aantal zetels.'' Volgens Verhagen is dat wel objectief vast te stellen.

Bos is het inhoudelijk eens met Verhagen, maar vindt het ,,niet toevallig'' dat juist een regeringspartij daarmee komt. ,,Ik vind het geloofwaardiger als een oppositiepartij hiermee komt. Voor de regeringsfracties is het makkelijk om het nieuws te halen, maar de oppositie is juist meer afhankelijk van dergelijke debatten om de aandacht te trekken'', zegt Bos. Hij voelt daarom niets voor een vastgesteld aantal uren wetgevingsoverleg per week.

Bos trekt zich vooral een ander punt van kritiek van Tjeenk Willink aan: het onvermogen van politici om te erkennen dat ze er niet over gaan. ,,Het loont nu eenmaal niet om te zeggen dat je er niets aan kunt doen, die boodschap wil de kiezer niet horen. De maakbaarheidsgedachte wordt nog door te veel politici, van links tot rechts, gehuldigd.'' Volgens Bos moeten politici eerlijk zijn over wat ze wel en niet kunnen. ,,Dat maakte Fortuyn een interessante man. Die zei gewoon dat hij de files niet op kon lossen. De kiezer waardeerde dat. Ook Bram Peper heeft dat wel eens opgeschreven. Zeg niet alleen wat je wilt, maar geef ook aan waar je geen zeggenschap over wilt hebben als politiek. Daarvoor moet je boven jezelf uitstijgen. Dat is moeilijk.''