Praatcultuur

Grasduinen in de kiosk. Tom Rooduijn bespreekt wekelijks een ander tijdschrift. Vandaag de nieuwe glossy `NU'.

We leven in een `praatcultuur', stelt NU de tijd van je leven vast. In dit nieuwe tijdschrift zet psychiater Oscar Markx uiteen dat de babyboomgeneratie aanvankelijk het stilzwijgen van zijn door de oorlog getraumatiseerde ouders overnam. ,,In de jaren zestig kwam voor het eerst de praatcultuur op'', situeert Markx de doorbraak. ,,Leren praten over je trauma's betekent dat je onzekerheden en angsten leert verdragen en erachter wil komen wie je bent.'' Een `personal coach' acht elders in het artikel de therapautische conversatie een ,,noodzakelijk tegenwicht tegen de no-nonsensehouding'' waarin naoorlogse generaties opgroeiden.

Ook de zachte sector vent zijn gedachtegoed al in glossy-vorm uit. ,,Tegenwoordig ben je gek als je niet overal over praat'', stelt het tijdschrift in het artikel `Zwijgen is niet altijd goud'. Als het blad werkelijk van deze tijd is, wat de titel doet vermoeden, zou het praten juist ernstig moeten worden ontmoedigd. De praatcultuur is dermate ver doorgeschoten, dat Nederland niet anders meer doet. Neem gedurende een maand dagelijks een proeve van wat de ene helft via de telefoon, de televisie en de radio aan de andere verkondigt, bewaar dat zorgvuldig en maak na een eeuw een grondige analyse. ,,Vreemde gasten'', zal de onderzoeker over deze uithoek van Europa constateren. ,,Terwijl de wereld in brand stond, maakten de mensen zich daar de ene dag druk over de therapeut en de zelfverwerkelijking en de andere dag over een `smulbos' of te sterke `nederwiet'.''

Verder zal de analyticus in 2104 vaststellen dat rond de vorige eeuwwende de Nederlander voor het eerst minder tijd besteedde aan slapen dan aan gesprekken: dat betrof actieve (gesprek voeren) zowel als passieve deelname (radio- of tv-gesprek volgen). De onderzoeker zal de toenmalige gespreksstructuur vergelijken met een boom, waarbij de onderwerpkeuze een steeds irrationeler en associatiever verloop had. En hij zal concluderen dat de mensen op tv niet meer spraken zoals in de werkelijkheid, maar, omgekeerd, het tv-gesprek steeds meer door `gewone mensen' werd geïmiteerd. Het type van de gevatte gespreksleider werd zo populair, dat in gesprekken thuis of op het werk de quasi-presentatoren uit armoede elkaar maar ondervroegen of in alertheid aftroefden – precies als op tv.

Een verwante plaag vormt de psychopraat, waarvan ook in dit blad sterke staaltjes staan. ,,Ik durfde niet te geloven dat ik oké was'', zegt de vrouw die in de jaren tachtig een ,,persoonlijk ontwikkelingstraject'' volgde. Verdoemd zijn zij, luidt de conclusie van NU, die nu nog steeds niet weten wie zij `werkelijk zijn'.

NU toont in elk geval aan dat het geschreven woord het onderspit delft. In het blad staat te lezen: ,,De jaren zeventig (...) is heel heilzaam geweest'', ,,Babyboomers wiens ouders oorlogsslachtoffers zijn...'' en, bij wijze van fotobijschrift: ,,Silvia Toth en diens vriendin.'' Hoog tijd voor herwaardering van welsprekendheid en correct en spaarzaam taalgebruik en voor een verbaal-economisch reveil. Want weliswaar worden er meer woorden geproduceerd dan ooit, de teksten die ze vormen wegen meestal weinig tot niets.