Oplaaiend geweld Irak is geen (burger)oorlog

Het geweld tussen Irakezen en buitenlandse troepen in Irak is de laatste dagen flink opgelaaid, op twee fronten tegelijk. Maar daarmee is er nog geen sprake van een burgeroorlog.

Het lijkt wel oorlog in Irak dezer dagen, een tweefrontenoorlog zelfs waarbij shi'ieten en sunnieten gezamenlijk in het offensief zijn gegaan om de Amerikaanse en andere buitenlandse troepen uit hun land te verjagen.

Twaalf Amerikanen werden gisteravond gedood in de sunnitische stad Ramadi, wat het totaal op 30 in drie dagen brengt; meer dan 60 Irakezen vonden tot vanmiddag de dood bij het Amerikaanse offensief in het eveneens sunnitische Falluja. In shi'itisch Irak gaat de revolte van de radicale geestelijke Muqtada Sadr door. Vannacht vielen in dat kader weer verscheidene Iraakse doden in Kerbala en in shi'itische wijken van Bagdad.

Maar het aanhoudende nieuws over aanvallen en doden in zowel shi'itische als sunnitische gebieden vertekent. Ja, het geweld is zeker hoog opgelaaid de laatste dagen. Niet eerder sinds de val van het bewind van Saddam Hussein bijna een jaar geleden zijn er zoveel Amerikaanse en andere buitenlandse militairen en Iraakse strijders en burgers gedood bij onderling geweld. Maar evengoed is het geen (burger)oorlog, laat staan een gecoördineerde shi'itisch-sunnitische tweefrontenstrijd.

Het geweld is te herleiden tot specifieke en op dit moment in omvang relatief beperkte groepen aanvallers. Het enige wat zij gemeen hebben is hun haat jegens de Amerikanen. Het samenvallen van hun acties is naar het zich nu laat aanzien toevallig: het Amerikaanse offensief in Falluja is de reactie op een sunnitische moordaanslag van een week geleden op vier Amerikaanse beveiligers, terwijl Sadrs revolte het antwoord is op Amerikaanse maatregelen tegen hem. Hun populariteit bij de rest van de bevolking, buiten hun specifieke kring, is voorlopig nog gering.

Het spectaculairst is de huidige revolte van de radicale shi'itische geestelijke Muqtada Sadr, door de Amerikaanse autoriteiten in Irak bespot als een politieke gangster aan het hoofd van een bende straatvechters.

Het is waar, Muqtada Sadr heeft zijn aanhang vooral onder jonge have-nots en zijn Leger van de Mahdi is samengesteld uit straatvechters uit de sloppen, volgens zeer ruwe schattingen maximaal 10.000, die niets te verliezen hebben. Bij de gevestigde, zeer invloedrijke geestelijkheid in Irak heeft hij geen enkel aanzien – behalve als drager van de naam van zijn door Saddam vermoorde, hooggeëerde vader.

Niettemin hebben zijn aanhangers enkele shi'itische steden (Kufa, Al-Kut) in handen – wat betekent dat zij ongehinderd in de straten patrouilleren – en is bijna geen shi'itische stad, inclusief de shi'itische wijken van Bagdad, de afgelopen dagen een vorm van actie van het Leger van de Mahdi bespaard gebleven. Shi'itisch Irak is door Saddams regime politiek onderdrukt en economisch afgeknepen, en dus zijn de sloppen die Sadr zijn troepen leveren ruim bemand. Wapens zijn overal voorhanden. Gewone burgers hoeden zich er wel voor Sadrs vechters tegenwerk te geven.

Een rol speelt ook dat de Iraakse politie die de afgelopen maanden in vele steden de verantwoordelijkheid voor de veiligheid is toevertrouwd door de Amerikaanse en andere buitenlandse troepen, inderhaast is gerekruteerd en opgeleid en slecht wordt betaald. Er zijn berichten uit verscheidene steden over agenten die zich door Sadrs manschappen laten intimideren en politiebureaus aan hen overdragen. In Al-Kut werden Oekraïense militairen, die gisteren het gezag probeerden te heroveren, vervolgens door Sadrs strijders en de politie gezamenlijk teruggeslagen.

De meeste shi'ieten moeten niets hebben van Muqtada Sadr, al was het maar omdat hij een hoofdrol voor de geestelijkheid in de politiek opeist, en er waren de laatste tijd tekenen dat zelfs zijn natuurlijke aanhang minder enthousiast werd. De moskee in Kufa waar hij zijn giftige anti-Amerikaanse preken houdt werd minder vol.

Zo bezien kwamen de maatregelen die de Amerikaanse autoriteiten tegen hem namen, te beginnen met het verbod van zijn weekblad en vervolgens de arrestatie van een naaste medewerker en het arrestatiebevel tegen hemzelf op beschuldiging van moord op een gematigde rivaal, voor Muqtada Sadr als een geschenk uit de hemel. Hij liet gisteren weten trots te zijn op het predikaat outlaw dat de Amerikaanse bestuurder Paul Bremer hem gaf: ,,als dat betekent schending van de wet van de Amerikaanse tirannie en de vuile grondwet''.

Woordvoerders van het shi'itische establishment zeggen niet te begrijpen waarom de Amerikanen nú in actie zijn gekomen, aangezien de arrestatiebevelen al maanden geleden door een Iraakse rechter zijn uitgevaardigd. Mogelijk wilden de Amerikanen Sadr aan banden leggen nu de machtsoverdracht aan een Iraaks bewind op 30 juni nadert.

De reguliere Iraakse geestelijkheid stelt zich tot dusverre heel behoedzaam op ten aanzien van Muqtada Sadrs uitdaging. Niemand is immers echt enthousiast over de Amerikanen, en het maakt naar de gelovigen geen goede indruk onomwonden hun zijde te kiezen ook al gaat het om een stokebrand als Muqtada Sadr.

Muqtada Sadr en de rest van de shi'ieten hebben niets op met de sunnitische rebellie (al zijn er omgekeerd dezer dagen portretten van Sadr aangeplakt in sommige sunnitische steden), en het is zelfs de vraag of de incidenten in de twee sunnitische steden Falluja en Ramadi rechtstreeks met elkaar te maken hebben.

De guerrilla-aanval in Ramadi wordt door de Amerikaanse autoriteiten toegeschreven aan aanhangers van Saddam Hussein, die nog altijd in sunnitisch gebied actief zijn. Falluja is een bolwerk van de zeer puriteinse wahabitische islam in Irak, en het al maanden aanhoudende anti-Amerikaanse geweld in deze stad wordt grotendeels aan extremisten uit die kring toegeschreven, die geen liefhebbers van de van oorsprong seculiere Saddam zijn. De bewoners van Falluja zien de Amerikanen als ongelovige bezetters die ook nog eens de islamitische regels met voeten te treden, bijvoorbeeld door zich bij huiszoekingen niets aan te trekken van de aanwezigheid van vrouwen.

Het is daarom twijfelachtig of het huidige offensief, dat is bedoeld om rebellen op te pakken en vervolgens de bevolking te pacificeren, aan die verwachtingen zal voldoen. Eerder zal het de anti-Amerikaanse gevoelens voeden, die vorige week internationaal zichtbaar waren toen een menigte juichend de lijken verminkte van vier Amerikaanse beveiligers. Vanochtend werd door de luidsprekers van de moskeeën opgeroepen tot de jihad, de heilige oorlog.