Leerstoel te koop

Het gezegde luidt: ,,Wiens brood men eet, diens woord men spreekt''. Dat is het gevaar dat zich voordoet als hoogleraren te sterk afhankelijk worden van financiering van opdrachtgevers van buiten, de zogenoemde derde geldstroom. Wat gebeurt er als de resultaten van het onderzoek in strijd zijn met de visie van de opdrachtgever? Die vraag kan gesteld worden bij een nieuw te benoemen deeltijdhoogleraar energierecht in Groningen, wiens leerstoel tot stand is gekomen met een startsubsidie van de Gasunie en die na vijf jaar geheel gefinancierd moet worden uit externe onderzoeksopdrachten. Kan zo iemand nog nee zeggen tegen een opdracht? In hoeverre gaat zo iemand onder de dekmantel van de universiteit de belangen van zijn andere werkgevers dienen? Dat ligt wel op het eindpunt van de weg die de regering op wil onder de vlag van innovatie. Hoogleraren moeten bij hun onderzoek de belangen ontzien van bedrijven of instellingen door wie ze worden betaald.

Het zou mooi zijn als elk onderzoek geheel onafhankelijk was, maar toch zou het te ver gaan om commercieel onderzoek te verbieden. Wetenschappers worden steeds meer afgerekend op maatschappelijke relevantie van hun onderzoek. Voor bepaalde onderzoeksgebieden hebben bedrijven meer geld dan de zuinige overheid. Bedrijven kunnen de aandacht van onderzoekers concentreren op toegepast onderzoek. De vraagstelling voor commercieel onderzoek kan onafhankelijk zijn. Ook kunnen studenten aan een universiteit profiteren van de praktijkkennis van een deeltijdhoogleraar.

Toch zou een leerstoel nooit geheel rechtstreeks door commercie gefinancierd mogen worden. Er moet altijd een evenwicht zijn tussen fundamenteel en toegepast onderzoek, waarin vooral bedrijven zijn geïnteresseerd. Universiteiten zouden dat moeten afdwingen. Commerciële onderzoeksopdrachten kunnen innovatie ook tegenhouden, doordat feiten die onwelgevallig zijn voor de opdrachtgevers, worden verdonkeremaand of doordat belangrijke onderzoeksresultaten, deels op kosten van de universiteit bereikt, alleen zijn voorbehouden aan een bepaalde opdrachtgever. Commerciële belangen remmen de voor innovatie belangrijke uitwisseling van gegevens tussen onderzoekers, bijvoorbeeld doordat eerst een patent moet worden aangevraagd. In Amerika komen door bedrijven gefinancierde dissertaties voor, waarin sommige hoofdstukken geheim zijn.

Sommige hoogleraren geven nooit college, maar doen uitsluitend opdrachtwerk. Anderen verwerven zich voor een paar colleges de prestigieuze aanspreektitel professor, die wordt gecompenseerd in de tariefstelling voor hun reguliere werk. De hoogleraar-accountant en de hoogleraar-belastingconsulent met eigen praktijken, vaak voor grote opdrachtgevers, zijn eerder regel dan uitzondering. En het is voor een buitenstaander moeilijk uit te maken of zo'n hoogleraar met commerciële belangen als onafhankelijk onderzoeker spreekt, als uitvoerder voor een opdrachtgever of voor de cliënten die hij in zijn andere baan moet dienen.

Veel universiteiten hebben de nevenactiviteiten van de hoogleraar slecht geregeld. Om te beginnen zou helder moeten zijn wiens belangen een hoogleraar zoal dient. Hoogleraren zouden verplicht moeten worden om hun nevenactiviteiten openbaar te maken op een manier die voor iedereen opvraagbaar is, liefst op internet. Maar bijvoorbeeld ook als voetnoot onder hun publicaties. Dan wordt tenminste duidelijk dat de titel professor lang niet altijd staat voor academische onafhankelijkheid.