Het gevecht om de lange levensavond

Iedereen doorwerken tot z'n 65ste. Dat wilde het kabinet. Van dat streven is niet veel meer over. De Geus komt de sociale partners steeds verder tegemoet. Nu is het wachten op het echte eindbod.

In het Regeerakkoord stond het voor het kabinet-Balkenende II nog als een paal boven water: werknemers zouden tot hun 65ste moeten doorwerken. Door de vergrijzing daalt het aantal arbeidskrachten en versmalt het draagvlak onder de sociale voorzieningen. Het kabinet kondigde een serie maatregelen aan om de arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen. Daaronder waren twee ingrepen die het minder aantrekkelijk en voor de meeste mensen zelfs onmogelijk moesten maken om vervroegd met pensioen te gaan. Allereerst zou de fiscale maatregel die het sparen voor vervroegd pensioen (vanaf het zestigste levensjaar) aantrekkelijk maakt, het prepensioen, worden afgeschaft vanaf 2006. Bovendien moesten oudere werknemers die nu met vervroegd pensioen zouden willen, in één keer inkomstenbelasting gaan betalen over de hele periode tot aan het `echte' pensioen, op hun 65-ste.

Van beide plannen is na concessies van de bewindslieden van Sociale Zaken vorige maand en afgelopen maandag niet veel meer over. De `reuzenbelasting' vooraf is van de baan, en het prepensioen wordt gehandhaafd, zij het voor een kortere periode: werknemers kunnen nu met 63,5 jaar met pensioen. Of, meer technisch, de fiscale maatregel waardoor werknemers kunnen sparen voor hun prepensioen zonder inkomstenbelasting te betalen over de premies, het zogenoemde Witteveenkader, blijft bestaan voor pensioenen die met 63,5 jaar uitkeren. Nu geldt deze vrijstelling nog voor premies die recht geven op een pensioenuitkering van maximaal 85 procent van het laatstverdiende loon vanaf 60 jaar.

Overigens zijn er in de praktijk niet veel mensen die op hun zestigste met pensioen gaan. In de meeste CAO's is een latere pensioenleeftijd afgesproken. De gemiddelde leeftijd waarop mensen met prepensioen gaan in Nederland is 61,3 jaar. Het is zeer de vraag of die leeftijdsgrens veel gaat verschuiven. In de huidige kabinetsplannen kunnen werknemers in hetzelfde Witteveenkader, naast het gehandhaafde prepensioen, ook sparen voor een `levensloopregeling' die recht geeft op uitbetaling gedurende 2,1 jaar van 70 procent van het laatstverdiende loon. Het geld mag opgenomen worden op een zelfgekozen moment, dus ook om met vervroegd pensioen te gaan. Dat zou betekenen: stoppen met werken met 61,4 jaar (63,5 min 2,1 jaar). Dit is na de handreiking van De Geus maandag het voorlopig resultaat van de onderhandelingen tussen de sociale partners onderling en met de minister, die begonnen met het Najaarsoverleg vorig jaar. Toen bleken de lopende begrotingsperikelen voor het kabinet belangrijker dan het zich op termijn aandienende probleem van de vergrijzing. In ruil voor de belofte van werkgevers en werknemers geen loonstijgingen overeen te komen in 2004 en 2005, liet De Geus de regeling voor het prepensioen voorlopig ongemoeid. Voorwaarde voor deze afspraak van beide zijden was dat kabinet en sociale partners het uiterlijk in april 2004 eens zouden worden over een nieuwe regeling voor VUT, prepensioen en levensloop.

In de loop van de onderhandelingen bleken de tegenstellingen tussen de sociale partners groot en kwam het overleg al in een vroeg stadium muurvast te zitten. Vorige maand reageerde het kabinet met twee concessies: de fiscale stimulans van het Witteveenkader blijft bestaan voor de levensloopregeling van 2,1 jaar en de `reuzenbelasting' werd geschrapt.

Maar dat bleek niet genoeg. Vakbeweging, werkgevers en kabinet zijn het vooral oneens over de vraag of er een collectieve of individuele prepensioenregeling moet komen. Het voorstel dat De Geus maandag voorlegde is een tussenvorm: het preprepensioen vanaf 63,5 jaar is wel collectief, of wordt althans bij CAO afgesproken, maar werknemers kunnen kiezen of zij eraan willen meedoen of niet. Wat het `collectieve' karakter dan voorstelt, zal in de uitwerking duidelijk moeten worden.

De vakcentrales vrezen dat dit het prepensioen onbetaalbaar maakt. Bij de vaststelling van de huidige premies betalen grote groepen verzekerden namelijk een gemiddeld premiepercentage. Dat betekent dat de hoge inkomens `te veel' betalen voor hun uiteindelijke pensioenuitkering, en de lage inkomens `te weinig'. Dit wordt de `solidariteit tussen hoog en laag' genoemd. Als grote groepen jongeren en mensen met hogere inkomens niet mee zouden doen aan de regeling, zouden de premies dus sterk omhoog moeten.

De vakcentrales willen bovendien dat het voor werknemers met `zwaarslijtende' beroepen mogelijk blijft om al op hun 60ste jaar te stoppen met werken.

Morgen trekt het circus verder en praten de sociale partners door met het kabinet. Als De Geus blijft volhouden dat dit zijn `eindbod' in de onderhandelingen is, ziet het er somber uit.