Berechting nooit excuus voor preventieve actie

Wie alleen maar recht spreekt, zoals na de genocide in Rwanda, zonder een poging om conflicten te voorkomen, is schijnheilig bezig, meent Barbara Oomen.

De genocide in Rwanda, nu precies tien jaar geleden, leidde tot een fundamentele, maar ook gevaarlijke omslag in de internationale betrekkingen: een exclusieve nadruk op recht doen ten koste van preventief ingrijpen. De één miljoen slachtoffers, vaak voor het oog van de camera doodgehakt terwijl de internationale gemeenschap lijdelijk toekeek, maakten rechtspraak eindelijk weer tot een collectieve verantwoordelijkheid. De wereld stofte vijftig jaar oude verdragen af, richtte een internationaal tribunaal op en pompte miljoenen euro's in het nationale rechtsproces.

Zo opende Rwanda de deur voor een hele reeks door de internationale gemeenschap geïnitieerde rechtsprocessen naar aanleiding van bijvoorbeeld Joegoslavië, Sierra Leone, Oost-Timor en Irak, en voor de oprichting van het Internationaal Strafhof. Een wereld zonder schuilplaatsen voor haar zwaarste criminelen. Het lijkt mooi, maar het is ook gevaarlijk. Want wie alleen maar recht doet, zonder daadwerkelijke politieke, militaire en diplomatieke inspanning om conflicten te voorkomen, is weliswaar veilig en technocratisch bezig, maar ook schijnheilig en contraproductief. Zo leert Rwanda, tenminste.

De genocide van 1994 deed, om met Hannah Arendt te spreken ,,de grenzen van het recht exploderen''. Buren, familieleden, vrienden die massaal elkaar, hun vrouwen en hun kinderen met hakmessen om het leven brachten. Een duidelijke rol van de politieke leiders, die doodslijsten opstelden en over de radio schreeuwden dat ,,nog lang niet alle kakkerlakken uitgeroeid zijn''. Beelden van blanke diplomaten en hulpverleners, die nog net op tijd op het vliegtuig sprongen. Het geklungel van de internationale gemeenschap, en de bewuste keuze om niet in te grijpen. Het blijft één van de grootste smetten op ons collectieve geheugen. En omdat straffeloosheid bij eerdere volkerenmoorden een van de belangrijkste oorzaken leek, maakte de stilte van de wereld tijdens de zes weken van collectieve waanzin in het Grote Merengebied na de genocide onmiddellijk plaats voor een luid gekrakeel over hoe recht gedaan moest worden.

Dat recht kwam in vele vormen. In het Rwanda-tribunaal, volgens velen een `citadel van verveling', zwoegden internationale rechters in rood-zwarte toga's zich dag in dag uit in de Tanzaniaanse hitte door de dossiers van de grootste kopstukken. Oud-kolonisator België sleepte twee nonnen voor de eigen rechter. In Rwanda zelf vlogen internationale organisaties honderden advocaten in vanuit de hele wereld, en trainden zij rechters, vaak zelfs zonder lagere schoolopleiding, om hun vermoorde collega's te vervangen. Zij repareerden rechtbanken en spijkerden er borden op als `een gift van de Noorse ambassade' of `gesteund door USAID'. Zij experimenteerden wat met een Verzoeningscommissie àla Zuid-Afrika. En toen bleek dat de nationale rechtbanken nooit de 120.000 gevangenen die – letterlijk – in de gevangenissen wegrotten, op tijd weg konden werken, stortten de donoren zich massaal op de heroprichting van de gacaca, de traditionele dorpsrechtbanken.

Op Rwanda's duizenden heuvels, onder bananen- en avocadobomen, moesten buren elkaar nu maar gaan berechten. Zoals dat altijd ging, in Afrika. De Nederlandse ambassade, als een van de honderden spelers in het donorveld, heeft justitie als een van haar kernactiviteiten. Zij steunt de gacaca, liet vier rechtbanken bouwen en financierde de training van advocaten, rechters en een veelheid aan mensenrechtenorganisaties.

Zo werd Rwanda een laboratorium voor de nieuwe wereldorde. Een orde met een juridisering van de internationale betrekkingen, waar het recht geldt als eerste reflex bij internationale ongevallen. Recht doen, het lijkt zo veilig, technocratisch en vooral a-politiek. Net zoals in Nederland, waar de politiek bij gevoelige vraagstukken de rechter ook maar al te graag als achterwacht gebruikt. Tien jaar experimenteren in Rwanda leert echter dat deze aanpak grote nadelen kent.

Ten eerste zijn er de evidente contradicties in al die verschillende vormen van rechtspraak. Verzoenen, straffen, vergelden, de waarheid boven tafel brengen, mensenrechten bevorderen, lokale oplossingen stimuleren: het kan niet allemaal tegelijk. Ook lijkt de manier waarop recht wordt gedaan niet altijd even rechtvaardig. Het Rwanda Tribunaal, dit jaar met een budget van 251 miljoen dollar, heeft nog maar 21 uitspraken gedaan. De gacaca mogen wel de, voornamelijk, Tutsi-doden tijdens de genocide bespreken, maar niet de tienduizenden Hutu's die het Tutsi-rebellenleger vervolgens vermoordde. En het is maar de vraag of huidige president Kagame ooit terecht zal staan voor zijn rol in het neerschieten van de helikopter met daarin zijn voorganger, het startsein van de genocide.

Veel erger is de loskoppeling van recht doen achteraf en politieke, en waar nodig militaire, steun op het moment dat het écht nodig is. Terwijl de internationale gemeenschap braaf het rechtsproces steunt, en aangeeft hoe belangrijk dat is voor `vrede en stabiliteit', wordt Rwanda steeds meer een totalitaire samenleving.

Mensen verdwijnen en krijgen de doodstraf. Oppositie is alleen maar mogelijk vanuit het buitenland. Het regime speelt een cruciale rol in de oorlog in het naburige Kongo, die al aan ruim 3 miljoen mensen het leven heeft gekost. Hier is de internationale gemeenschap aanmerkelijk stiller dan in haar inspanningen om recht te doen.

Natuurlijk is het belangrijk om het internationale strafrecht steen voor steen op te bouwen, om te zorgen dat oorlogsmisdadigers in iedere hoek van de wereld gepakt en berecht kunnen worden. Dat voor het eerst een Kongolese oorlogsmisdadiger voor een Nederlandse rechter terechtstaat. Maar dat mag nooit de plaats innemen van politieke en waar nodig militaire daadkracht. Bij de vele conflicten in Afrika rijst steeds de vraag `is het een tweede Rwanda?'

Als de eerste formele reactie van de internationale gemeenschap op de etnische zuiveringen die vandaag plaatsvinden in Soedan, Congo en Noord-Oeganda bestaat uit het sturen van gerechtsonderzoekers en arrestatiebevelen en het opzetten van tribunalen, dan ligt de vergelijking met Rwanda zeer voor de hand. En is het goed om te onthouden wat de Rwandesen zeggen: ,,Welk recht ook gedaan wordt, onze doden brengt het niet terug.''

Mr. dr. B.M. Oomen is verbonden aan de Amsterdam School for Global Issues in Development Studies.