Willekeur regeert in Tweede Kamer

De aandacht voor het incident gaat ten koste van de parlementaire aandacht voor de wetgeving. En aan wetgeving die in Brussel op stapel staat komt de Tweede Kamer niet toe. Die kritiek op het parlement uit H.D. Tjeenk Willink in het vandaag verschenen jaarverslag 2003 van de Raad van State. Hieronder een deel van het verslag.

De Staten-Generaal vertegenwoordigen ingevolge artikel 50 van de Grondwet het gehele Nederlandse volk. Bij de direct verkozen vertegenwoordigers ligt het politieke primaat. Dat primaat houdt niet in, in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd of althans gesuggereerd, dat politici het voor het zeggen hebben of dat de staat alles bestiert.

Het houdt wèl in dat politici aanspreekbaar zijn op de problemen die op de overheid afkomen, die problemen definiëren en bepalen of, en wat, de overheid daaraan zou kunnen doen en wie daarbij moet worden ingeschakeld. Sluitstuk is de controle op de resultaten.

De nadruk in het parlementaire werk van dag tot dag ligt vooral op de aanspreekbaarheid. Het definiëren van de problemen, het bepalen wat de overheid daaraan moet of kan doen, worden aan het bestuur, ministers en ambtenaren, overgelaten. Dat is niet anders dan vroeger. Wat wel is veranderd, zijn de verschuiving van de aandacht

van in het bijzonder de Tweede Kamer van de functie van medewetgever naar de functie van controleur en de verschuiving van controle achteraf (op de resultaten) naar controle vooraf (op de voornemens). De Staten-Generaal en in het bijzonder de Tweede Kamer wil naast medewetgever ook medebestuurder zijn. Het politieke debat versmald tot commentaar op de plannen van het bestuur.

Daar komt bij dat de directe aanspreekbaarheid van de volksvertegenwoordiging is toegenomen. De technische ontwikkelingen stimuleren dat. De dagelijkse informatiestroom die op de Tweede Kamer afkomt en de directe toegang tot individuele kamerleden zijn enorm gegroeid.

De mogelijkheden om deze informatie te filteren en te selecteren zijn kleiner geworden. De politieke ideologieën geven nauwelijks meer houvast. De institutionele filters werken niet meer. De tijd om na te denken wordt niet gegund: er moet worden gereageerd en wel onmiddellijk.

De politieke controle wordt afhankelijk van de media en hun prioriteiten. De journalisten worden beschouwd als stem van de `misnoegde burgers'; belanghebbende deelnemers in plaats van kritische waarnemers. Zij worden het richtsnoer voor de politieke agendering en (vervolgens) voor het bestuurlijk handelen.

Het incidentalisme neemt toe. De wijze waarop van artikel 68 Grondwet (de inlichtingenplicht) gebruik wordt gemaakt, draagt daaraan bij.

Incidentalisme betekent ook willekeur. Zij die niet in het licht (van de camera's) staan, worden niet opgemerkt. Die aandacht voor het incident gaat ten koste van de parlementaire aandacht voor de wetgeving. Aan de wetgeving die in Brussel op stapel staat, komt de Tweede Kamer niet toe.

Systematische politieke controle op de stand van uitvoering van het beleid, de inzet van mensen en middelen, de knelpunten, de klachten en de effecten ontbreekt. De behoefte aan meer parlementaire enquêtes zijn ook een uiting van gebreken in die politieke controle.

De Tweede Kamer komt in (en nà) enquêtes altijd zichzelf tegen. Gepresenteerd als ultiem machtsmiddel zijn enquêtes ook een uiting van onvermogen. De remedie voor die gebreken en dat onvermogen wordt echter altijd gezocht in meer ambtelijke controlemechanismen. Meer van hetzelfde. Dat dit niet wordt opgemerkt heeft te maken met het feit dat elke enquête op zichzelf wordt beschouwd.

Het enquêtewapen was oorspronkelijk bedoeld om onderzoek te doen naar maatschappelijke problemen en daarop (toekomstig) beleid te richten. Het is geworden tot een inhaalactie in de controle op de uitvoering van beleid. De nadruk is daarbij meer komen te liggen op hetgeen in het verleden mis is gegaan en wie daaraan `schuld' heeft, minder op de oorzaken van wat er mis ging en de mogelijkheden om die oorzaken weg te nemen.

Toch zou dat niet alleen aanzienlijk interessanter zijn, maar ook zicht kunnen bieden op wat er werkelijk aan de hand is. Nadenken over wat politieke controle inhoudt en herwaardering van de Staten-Generaal als institutie, een geheel van staatkundige regels en gemeenschappelijke omgangsvormen, zal door de volksvertegenwoordigers zelf moeten gebeuren. [...]

H.D. Tjeenk Willink is vice-president van de Raad van State. Het volledige jaarverslag 2003 van de Raad van State is te vinden via www.nrc.nl/doc