Voer het debat met consideratie

De cultuur van het columnistendom is voor ons vertrouwd, maar de allochtoon is niet gewend aan onze polemiek, meent Gerrit Steunebrink.

Het debat over de islam, aangezwengeld door de columnisten Paul Cliteur en Silvain Ephimenco en de politici Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders heeft als voornaamste kenmerk de totale onduidelijkheid over wie nu de moslim is die men aan wil spreken over terrorisme. Toch is de vraag naar de identiteit van de geadresseerde de enige relevante vraag in de kritiek op de islam.

Die identiteit is op drie niveaus onduidelijk. Het eerste niveau is dat van de islam als wetenschappelijke verklaring voor het terrorisme. Is het inderdaad de islam die achter het islamterrorisme zit of zijn het verschillende sociale factoren, waarvan de islam er misschien één is? In de verklaring van het islamterrorisme doen twee totaal verschillende theorieën de ronde. Enerzijds is daar de visie van prof. Dr. Hans Jansen die, in een bijdrage in Trouw vorige maand, het geloof in de superioriteit van de islam interpreteert als een bewuste of onbewuste stimulans tot terrorisme. Anderzijds is er de visie, onlangs verwoord door Dr. Roel Meijer in een artikel in de essaybundel Vreemde verwanten?, waarin hij de nadruk legt op de sociaal-politieke factoren die de ontwikkeling van politieke bewegingen bepalen. Hij vergelijkt de daders van de aanslag op het WTC met de Rote Armee Fraktion, waarbij een verwijzing naar de godsdienst volgens hem alleen maar verwarrend is. We hebben te doen, zo meent hij, met de dramatische strubbelingen van een moderne politieke en culturele beweging die, wat hem betreft, in twee delen uiteen zal vallen: een deel dat een gewelddadige omwenteling zal voorstaan en een gedeelte dat de maatschappij van binnenuit wil hervormen. Hij trekt een duidelijke analogie met het communisme en de sociaal-democratische beweging in de negentiende eeuw. Hans Jansen zit overduidelijk op de tegengestelde lijn.

De tweede onduidelijkheid ligt binnen de islam zelf. Door het ontbreken van een gezagsstructuur, een synode of een paus, die kunnen bepalen wat officieel islamitisch is, is het mogelijk dat vele groepen voor eigen doeleinden, oncontroleerbaar, zich op de islam beroepen. Dit is reeds lang geleden naar aanleiding van het Algerijns terrorisme geconstateerd. Maar omdat er geen islamitisch Vaticaan is, heeft ook de felle kritiek op de islam geen geadresseerde en heeft zij de neiging de islam in het algemeen en dus potentieel iedere moslim te beschuldigen, zodat deze zich belaagd gaat voelen.

In Nederland ontbreekt een dergelijk gezagscentrum ook. Daarom is de oproep aan de islam mee te doen aan het debat ten dele een slag in de lucht. Iedereen kan meedoen, en dat is natuurlijk leuk, maar wanneer je wilt communiceren met een groep over een bepaalde, aan te nemen houding, dan moet je ook weten wie je aan kunt spreken, wie namens wie met gezag spreken kan en invloed uit kan oefenen op zijn achterban: een synodevoorzitter, een rector of een theologieprofessor. De Nederlandse islam blijft hierin nog altijd in gebreke. Daarom heeft de wethouder van Amsterdam een soort universele oproep gedaan aan alle moskeeën zich te distantiëren van het geweld. Ik ben heel benieuwd hoeveel eensgezindheid daaruit voortkomt.

Apart van de gezagsstructuur is de derde moeilijkheid die van de Nederlandse moslims die deel kan nemen aan het debat. Het klinkt paternalistisch, maar is er een intellectuele bovenlaag die dit zou kunnen? Er zijn onderhand genoeg islamitische academici, juristen, doktoren enzovoort, maar er is nog geen groep specifiek islamitische intellectuelen, theologen en filosofen, die hun partij volwaardig mee kan blazen. Haci Karacer (directeur van Milli Görüs) en Abdulwahid van Bommel (imam en geestelijk verzorger) doen beiden geweldig hun best in de media, maar de grote groep die mee zou kunnen doen is vaak nog in opleiding, te veel gericht op informatieverstrekking over de islam en discussieert in eigen kring, mede omdat men niet gewend is aan de autochtone manier van polemiseren over religie. Hiermee houden de columnisten geen rekening. Iedere religie moet bekritiseerd kunnen worden, of met de woorden van Paul Steenhuis in de NRC (Opinie & Debat, 27 maart): het debat moet op het scherp van de snede gevoerd kunnen worden. Dat klopt, wanneer de moslimintellectuelen in Nederland zelf zover zijn. De columnisten verdedigen natuurlijk terecht de liberale maatschappelijke orde en de daarbij horende vrijheid van meningsuiting, maar vergeten hoe men positief een nieuwe gemeenschap in deze liberale maatschappij betrekt. De liberale maatschappelijke orde is niet zomaar een voor iedereen vanzelfsprekend, bovencultureel kader voor het samenleven van verschillende culturen, maar is zelf een aparte cultuur die geleerd moet worden. Dat geldt ook voor de cultuur van het columnistendom, een geheel van ongeschreven regels dat precies aangeeft hoever men te ver kan gaan en dat voor de autochtoon vertrouwd is, maar voor de allochtoon niet.

Daarom mag men consideratie verwachten, de zogenaamde goede toon, want dat is de enige manier om de geadresseerde te integreren in de eigen liberale waardenconsensus. Juist de politici van de VVD, die de islam in Nederland geen eigen onderwijs gunnen omdat diens doelgroep meestal uit analfabeten en lager opgeleiden bestaat, slaat in het debat een toon aan, alsof ze discussiëren met een autochtone groep intellectuelen die stevig van zich af kan bijten. Maar de vorming van een waardenconsensus in onze liberale maatschappelijke orde is grotendeels afhankelijk van het kweken van vertrouwen in gesprek en concrete samenwerking tussen verschillende groepen in de burgermaatschappij. Het gesprek met de islam is allang aan de gang en moet niet verstoord worden door de felle polemiek.

Ronduit schandalig is de suggestieve combinatie van het woordvoerderschap minderheden met dat van de bestrijding van het internationale terrorisme in het gezamenlijk publicitair optreden van de politici Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders (Opinie & Debat, 20 maart). Nu is het woord van Ayaan Hirsi Ali, politiek gezien, niets waard, omdat zij door de VVD fout geplaatst is. In blijkbaar voorbije, goede tijden hadden politieke partijen de loffelijke gewoonte om nieuwe fractieleden niet de portefeuille te geven van de belangengroep waar zij zelf uit voortkwamen. Door eerst een andere portefeuille te accepteren, konden nieuwelingen bewijzen zich in te willen zetten voor het landsbelang en niet voor een persoonlijk belang of een groepsinteresse. Ayaan Hirsi Ali heeft meteen de portefeuille minderheden gekregen en daardoor kan zij op geen enkele manier de schijn vermijden in haar woordvoerderschap een persoonlijke strijd met de islam te voeren.

En wat is het toch sneu voor Geert Wilders dat, juist nu hij oproept tot steun aan de Amerikaanse strijd tegen het terrorisme, de goede, antiterroristische bedoelingen van president Bush steeds meer onmaskerd worden en de oorlog in Irak eerder een hindernis dan een ondersteuning van de bestrijding van het terrorisme blijkt te zijn. Geert Wilders heeft de Nederlandse islamproblematiek uit zijn verband gerukt en geplaatst binnen een geopolitiek kader dat ook voor hem een paar maatjes te groot is. Hij overschreeuwt zich en wil, onder het mom van gevoel voor urgentie kweken, ordinair stoken. Daarmee is het belang van de liberale maatschappelijke orde van de Nederlandse samenleving op geen enkele wijze gediend.

Dr. Gerrit Steunebrink is docent godsdienst- en cultuurfilosofie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en columnist van het Turks-Nederlandse blad Ufuk.