Religiekritiek

Een Engelse wiskundige heeft volgens The Times berekend dat de kans dat God bestaat 67 procent bedraagt. Kantje boord, maar toch: het zal maar waar zijn. Het is een raar, zelfs lachwekkend nieuwsfeitje nu in Nederland de roep om kritiek op godsdienst luid opklinkt, in een `opinieklimaat' dat onbehaaglijk op een pastiche van de Verlichting begint te lijken.

De columnist Cliteur, die nu op adem komt maar in Vrij Nederland aankondigde dat hij na zijn oratie aan de universiteit op 28 mei weer zal gaan meedoen aan het publieke debat, sprak zelfs van een ,,recht op religiekritiek'', waar ook de veiligheidsdiensten ,,pal voor moeten staan''. Maar valt dit `recht' niet gewoon onder de vrijheid van meningsuiting? Dat zal Cliteur ook wel vinden, maar waarom het dan apart benoemen? Moet dit `recht op religiekritiek' worden vastgelegd in de Grondwet, totdat Nederland totaal seculier is?

Veel religiekritiek zoals je die nu hoort lijkt een rechts-liberale variant van de `ideologiekritiek' waarmee links vroeger het klootjesvolk probeerde aan te praten dat het niet wist wat goed voor hen was. Ook hier is nieuw-rechts schatplichtig aan oud-links (wie zei ook alweer dat religie `opium van het volk' was? Niet Edmund Burke of Alexis de Tocqueville, die door conservatieven worden aangehaald als erflaters van onze beschaving; het was toch echt Karl Marx, aartsvader van de linkse kerk). En het dreigt te vervallen in hetzelfde paternalisme en in dezelfde versimpelingen.

Kritiek op religie nu vooral de islam waar we wat aan hebben, is nog heel wat anders dan schelden onder de paraplu van Voltaire. Maar in het huidige debat wordt alles wat tegen godsdienst aanschopt klakkeloos gekoppeld aan de Verlichting. Dat heeft het grote voordeel, dat wie Mohammed wil uitmaken voor pedofiel, zich in één moeite een heldhaftig kind van het rationalisme kan wanen. Maar juist de bronnen van zúlke kritiek op Mohammed en de islam liggen helemaal niet in de Verlichting maar in de Middeleeuwen. Toegegeven, hij is nu wat minder in trek dan Spinoza of Voltaire, maar de Heilige Johannes van Damascus nam al in de zevende eeuw, in zijn Dialexis Sarrakenou kai Christianou het libido van Mohammed op de schop: de man was tenslotte getrouwd met meer vrouwen en bovendien met een gescheiden vrouw, Zaynab bint Jahsh, voor christelijke begrippen toen een even helse gruwel als een kindhuwelijk nu. Latere middeleeuwse werken als de quadruplex reprobatio, een viervoudige weerlegging van de islam, fulmineerden even heftig tegen de `valse religie': Mohammed was een impudicus adulter, een onkuise echtbreker en zedeloze bedrieger. Een perverteling die concedit sodomiam tam in masculo quam in femina (tegennatuurlijke seks goedkeurde zowel voor mannen als voor vrouwen), aldus de Disputatio contra Saracenos van Ricardo da Monte Croce. Dante liet Mohammed martelen in de onderste regionen van de hel (nog net vóór Judas), waarbij de valse profeet eindeloos werd gespleten van kin tot anus. Alain de Lille meende dat `het volledige leven van de moslims wordt doorgebracht in de stank van lust'. Hun godsdienst was er één van fornicationes et furta (seks en geweld). En zo kunnen we doorgaan. Zie voor meer van hetzelfde: Norman Daniel: Islam and the West. The Making of an Image, Edinburgh, 1960.

Veel van die middeleeuwse fascinatie met islamitische seks en geweld was gebaseerd op angst, vooroordelen, onjuiste informatie, en op vijandigheid ten opzichte van een rivaliserende beschaving die destijds boven die van Europa uitstak. Voltaire paste in de achttiende eeuw de afkeer van Mohammed als `grondlegger van een valse en barbaarse sekte' in het raamwerk van de Verlichting, maar voor de inhoud bleef hij schatplichtig aan de middeleeuwse tirades. Anderen zoals Montesquieu en Tocqueville waren milder (maar zeker niet onkritisch) over de islam, en bij hen zien we de kiemen van een echte religiekritiek die oog heeft voor de bronnen, historie, context, gevaren en deugden van een godsdienst in een moderne wereld. Tocqueville, die aan religie een waardevolle rol toekende in democratische staten, hield de islam voor minder levensvatbaar in de moderne tijd, omdat deze godsdienst ook civiele en staatrechtelijke aanspraken had die het christendom inmiddels achter zich had gelaten. Hier doemt de fameuze scheiding van kerk en staat op, maar veel genuanceerder dan de botte slogan die er inmiddels van is gemaakt.

De `religiekritiek' die in Nederland nu wordt uitgeoefend op de islam, maakt niet alleen een karikatuur van die godsdienst dat is maar al te verklaarbaar in de wereld na 11 september 2001 maar ook, en dat zouden we ons nog meer moeten aantrekken, van de Verlichting. Die kritische intellectuele traditie wordt gedegradeerd tot een reservoir van op televisiemaat gesneden conferences en kretologie. Natuurlijk is die Mohammed een pedofiel: kijk maar in ons Wetboek van Strafrecht! Intussen maken de meeste herauten van deze entertainment-Verlichting nog geen begin met de arbeid die hen te doen zou staan. Verlichters zoeken toch juist naar het algemene in de diversiteit, in dit geval naar raakvlakken tussen de islam en ons, naar manieren om moslims op te nemen in de moderne wereld zonder ze eerst hun `pedofiele' profeet af te pakken. Een uitzondering is trouwens Bart-Jan Spruyt van de Burke-stichting, die uitdrukkelijk het gesprek met moslim-intellectuelen wil aangaan.

Natuurlijk moeten praktijken van moslims die niet stroken met de Nederlandse samenleving worden bekritiseerd en, waar de wet dat vraagt, worden aangepakt. Eerwraak is moord, en dus verboden, net als samenspannen tegen de staat in het kader van de jihad. Verzet tegen de totalitaire ideologie van dat radicale islamisme is ook geboden, zeker. Maar tegelijk moet de rechtmatige plaats van moslims in deze samenleving worden erkend, als moslims, niet als een barbaarse horde die buiten onze verlichte rationaliteit staat. Erkenning en kritiek gaan hand in hand, als we de zaken tenminste serieus nemen. De Belgische filosoof Herman de Dijn, een conservatief, zegt daar behartigenswaardige dingen over in het boekje De Vreemdeling (Damon, 2003): kritiek kan in het spectaculaire mediatijdperk verworden tot ,,het opzoeken van sensitieve grenzen van anderen, in feite om te provoceren''. Het kan ook zakelijk en vlijmscherp zijn, en tóch uitgaan van goodwill die de ander erkent. Dat is nuttiger Verlichtingsarbeid dan een terugkeer naar de Heilige Johannes.