Probleemkind wil meebeslissen over hulp

Kinderen die onder de jeugdbescherming vallen, willen dat er naar hun mening wordt geluisterd. De nieuwe wet op de jeugdzorg waarover de Senaat vandaag debatteert, kan dat mogelijk maken.

Ze zit op de bank en zucht: ,,Praten is het allermoeilijkst. Als ik driftig ben, schiet er wel eens wat uit. Maar meestal zeg ik niets.''

Jet (14) woont sinds haar negende bij haar zus en haar zwager. Haar moeder overleed toen ze zes jaar was en haar vader deed daarna ,,verkeerde dingen'' met haar. Haar twee oudere zussen hadden wel vermoedens, maar konden niets doen omdat Jet bleef ontkennen. ,,Mijn oudste zus had uitgelegd waar je zwanger van kan worden en ze vroeg: doet hij dat met jou?'', zegt Jet. ,,Maar ik zei niets. Ik was heel bang voor mijn vader.'' Uiteindelijk, tijdens een logeerpartijtje bij haar andere zus, kwam alles eruit. Jet bleef bij haar wonen.

Als je Jet vraagt hoe kinderen die in de problemen zitten het best geholpen worden, zegt ze: ,,Je hebt iemand nodig met wie je goed kunt opschieten en die naar je luistert. Je moet zeker weten dat die persoon niet zomaar iets doorvertelt. En ze moeten alleen dingen doen waar jij het mee eens bent.''

Die vraag stelde het Nationaal Fonds Kinderhulp aan alle ongeveer 25.000 kinderen die onder de jeugdbescherming vallen. Het grootste deel, zo'n 20.000 kinderen, heeft een gezinsvoogd omdat er ernstige problemen in het gezin zijn. Van deze kinderen woont ongeveer de helft thuis, de andere helft in een pleeggezin of tehuis. 1.400 kinderen tussen de acht en de achttien stuurden hun antwoord terug. In de vorm van een verhaal, een gedicht, of een tekening.

Jet maakte een boom. In die boom blaadjes met tips: `Luisteren', `Praten', `Vertrouwen winnen'. Haar eigen verhaal schreef ze op een apart blaadje dat ze onderaan de boom plakte en dat eerst uitgerold moet worden om te kunnen worden gelezen. ,,Het is niet voor iedereen bestemd. Iemand die écht wil weten wat er is gebeurd, moet er wat moeite voor doen.''

Met de Kinderhulpprijs wil het fonds iets leuks doen voor kinderen die het minder goed getroffen hebben. De beste inzendingen krijgen mooie prijzen. Maar er is een tweede doel, zegt Fiet van Beek van onderzoeksbureau WESP, dat de prijsvraag uitvoert. ,,We willen weten hoe zij zélf vinden dat ze het best geholpen kunnen worden.''

Ze hebben genoeg te vertellen, blijkt uit de inzendingen. Met tekeningen en tekst roepen kinderen elkaar op om bij problemen hulp te zoeken. Zoals Thenera van der Pluym (13), die schrijft: ,,Als je bij niemand steun kunt vinden, bel dan de kindertelefoon.'' Met het nummer. Ze tekende twee mensen op een bankje, de een slaat troostend een arm om de ander.

Voor de hulpverleners en andere volwassenen hebben de kinderen ook een boodschap. Ze willen betrokken worden bij de beslissingen die anderen over hen nemen. Ze willen geen hulpverlener die met een kant en klaar plan komt, maar ze willen een voogd die naar hun mening luistert. Eén kind maakte een oor op A3-formaat. Ze willen ook dat die mening serieus genomen wordt. Fiet van Beek: ,,Ook uit ander onderzoek blijkt dat kinderen invloed willen. Kinderen die mishandeld of misbruikt zijn, zijn de controle over hun leven totaal kwijt. Zeker voor hen is het heel belangrijk dat ze meebepalen.''

Het lijkt logisch om de kinderen naar hun mening te vragen, het gaat in de jeugdzorg tenslotte om hen, maar dat is het niet. Pas de afgelopen tien jaar werd op kleine schaal onderzoek gedaan naar de mening van kinderen, onder meer door bureau WESP. ,,In 1992 wilden we meisjes van twaalf jaar en ouder vragen naar hun mening over de jeugdhulpverlening in Zuid-Holland'', zegt Fiet van Beek. ,,Dat was toen spectaculair.'' Eind jaren negentig werd er eindeloos gediscussieerd over de vraag of ook jongere kinderen een zinvolle bijdrage aan onderzoek konden leveren. En of het onderzoek dan nog wetenschappelijk te noemen was. Fiet van Beek: ,,Er was ervaring met het verhoren en het testen van kinderen. Maar kinderen naar hun mening vragen? Dat was nieuw. We hebben het gedaan. En het levert heel veel informatie op.''

Thenera is op het pleintje voor haar huis in Utrecht aan het tafeltennissen. In één gymp heeft ze een oranje, in de ander een neongele veter gifgroene oorbellen in haar oren. Ze woont sinds haar derde jaar bij haar pleegouders, haar moeder was aan drugs verslaafd. Toen kón ze nog niet zelf beslissen, maar nu weet ze heel goed wat ze wel en wat ze niet wil. Ze wil bijvoorbeeld haar echte moeder nog niet zien, maar ze wil haar wel af en toe schrijven. ,,Mijn moeder is inmiddels afgekickt. Dat is heel knap. Maar ze kan toch niet voor mij en mijn twee andere zusjes zorgen. Bovendien, ik zou het ook niet willen. Mijn huis is hier.''

Haar voogd ziet ze ongeveer twee keer per jaar. Thenera vindt haar voogd ,,prima'', maar heeft geen echte band. Als ze ergens mee zit, praat ze met haar pleegouders, haar oudere pleegzus of haar beste vriendin Nathalie. Haar pleegouders missen wél een luisterend oor en doortastend optreden van jeugdzorg, met name als het gaat om hun tweede pleegkind, waar meer zorgen om zijn. Pleegmoeder Carla van Noord. ,,Ik heb vaak het gevoel dat het dossier dat van elk kind minutieus wordt bijgehouden, belangrijker wordt gevonden dan contact met het kind.''

In de nieuwe wet op de jeugdzorg, die vandaag in de Eerste Kamer wordt behandeld, krijgen cliënten meer macht. Ze krijgen recht op hulp en kunnen dat desnoods afdwingen. De hulp moet meer vraaggericht worden. Daarom worden cliëntenraden verplicht en moeten ouders en kinderen vanaf twaalf jaar hun handtekening onder een behandelplan zetten.

,,Dat helpt natuurlijk'', zegt Fiet van Beek. ,,Maar de jeugdhulpverlening kent al decennia een sterk bevoogdende cultuur. Soms moet dat, ze moeten kinderen beschermen. Soms is het helemaal niet nodig. Die mentaliteit is vreselijk moeilijk te veranderen. Ook met een nieuwe wet.''

Jet wil niet met haar achternaam in de krant. Ze woont in een klein plaatsje in Gelderland. Ze draagt een lange rok, net als haar zus. Boven de de deur in de huiskamer hangt een borduurwerk: `Wacht op den Heer zijt sterk'. Het is half negen 's avonds. De vier kleine kinderen van haar zus liggen in bed.

Ze heeft het goed bij haar zus en zwager, zegt ze. Maar ze weet nog wel hoe machteloos ze zich voelde, toen werd besloten dat ze thuis weg moest. ,,Ik was opgelucht dat mijn vader niets meer kon doen. Maar ook boos. Het was niet mijn schuld.'' Hoe langer ze weg is, hoe bozer ze wordt. Ze is een keer samen met haar voogd naar haar vader toe gegaan, om te vertellen hoe boos ze is. ,,Hij reageerde niet echt. Maar hij weet nu in ieder geval hoe ik over hem denk.''