Oliereserves: nagelknippen met een hakbijl

De oliemaatschappijen hebben eind jaren negentig de olie- en gasreserves stelselmatig te hoog ingeschat. Wanneer reserves als `bewezen' mogen worden aangemerkt is nu punt van discussie. ,,Er heerste een Wall Street-mentaliteit.''

Oliemaatschappijen, waaronder de Koninklijke/Shell Groep, hebben zich eind jaren negentig laten meeslepen in een agressieve cultuur van reserves boeken. De `bewezen' olie- en gasreserves moesten zo gunstig mogelijk worden ingeschat, mede omdat de financiële wereld steeds meer af ging op de reserves als indicatie voor toekomstige (koers-)winst.

,,Er heerste een Wall Street-mentaliteit, ingenieurs stonden altijd onder druk om de hoogste reserves te laten zien'', zegt petrochemisch ingenieur Charles Gleeson, voorzitter van de Society of Petroleum Evaluation Engineers (SPEE), een vakorganisatie uit de Texaanse oliestad Houston. ,,De definitie van oliereserves moest zoveel mogelijk worden opgerekt.''

Het herhaaldelijk afboeken van `bewezen' olie- en gasreserves bij Shell, alsmede bij andere oliemaatschappijen, zoals het kleinere El Paso, heeft de discussie over het boeken van reserves in de Verenigde Staten flink doen oplaaien.

Zo vroeg de gevreesde Amerikaanse beursautoriteit Securities & Exchange Commission (SEC) onlangs diverse grote Amerikaanse concerns, zoals ExxonMobil, ChevronTexaco en ConocoPhillips, opnieuw naar de boeking van hun reserves te kijken.

,,Het boeken van reserves is lastig'', zegt Ted Coe, hoogleraar aan het Institute for Petroleum Accounting van de Universiteit van Noord-Texas in Denton. ,,Reserves komen niet voor op de balans of de resultatenrekening, maar worden opgenomen in een voetnoot. Het risico is groot dat zo'n voetnoot wordt genegeerd, of erger, gemanipuleerd.''

In oktober 2003, ruim twee maanden voordat Shell met de schokkende onthulling kwam dat het 20 procent van zijn `bewezen' reserves moest schrappen (het equivalent van 3,9 miljard vaten olie), sprak nota bene een ingenieur van de SEC zijn cynisme uit over het boeken van reserves door maatschappijen, tijdens een forum georganiseerd door de SPEE. ,,Beleggers geloven de reserve-boekhouding toch niet'', zei destijds Jim Murphy, een van de twee ingenieurs die beursautoriteit SEC in dienst heeft om de verslaggeving van oliemaatschappijen door te lichten.

Een informele enquête tijdens het SPEE-forum wees uit dat 82 procent van de aanwezige ingenieurs de SEC-definitie voor reserves achterhaald achtte. De SEC-definitie stamt uit 1978 alhoewel ze diverse keren is aangepast.

De regels hebben alleen ruimte voor `bewezen' reserves. Waarschijnlijke reserves worden niet erkend – dit is wel het geval in Canada en Groot-Brittannië – terwijl de methode van kansbereking voor het evalueren van reserves juist in opkomst is.

De SEC laat alleen metingen van reserves toe door middel van een boring. Maar in diepzee zijn testboringen vanaf de oppervlakte onbetaalbaar, en gebruiken oliemaatschappijen allang seismische 3D-technologie. Een woordvoerder van de SEC zegt dat er geen plannen zijn om de regels te veranderen, hoewel er wel met de industrie wordt overlegd.

,,De SEC wil dat maatschappijen hun nagels knippen met een hakbijl'', zegt Bob Tippee, hoofdredacteur van Oil & Gas Journal, een gezaghebbend vakblad in Houston. ,,De SEC-definitie getuigt van een boekhoudkundig determinisme dat niet aan de natuur valt op te leggen. Stuur vier verschillende teams naar een exploratiegebied en ze komen met vier verschillende schattingen terug.''

Hier heeft Shell ook mee te maken, hoewel dit bijvoorbeeld niet verklaart waarom het Nederlands-Britse concern het Australische Gorgon-veld als `bewezen' aanmerkte, terwijl partners als ChevronTexaco dit nog niet hadden gedaan.

Ingenieur Gleeson noemt de SEC-definitie `glashelder'. ,,Hij moet alleen rigoureus en systematisch worden toegepast.'' Seismische metingen zijn volgens hem niet genoeg. ,,Seismische technologie laat alleen zien hoe de bodemstructuur eruitziet. Je zult toch echt de grond in moeten om te zien of er olie zit.''

Dat Shell of El Paso niet de enige concerns zijn die de olie- en gasreserves het afgelopen decennium te optimistisch hebben ingeschat blijkt wel uit een recent rapport van het Amerikaanse marktonderzoeksbureau Herold. In dit rapport staat dat de grote energiemaatschappijen de groei van hun reserves stelselmatig te hoog inschatten. Midden jaren negentig rekenden zij op minstens 5 procent groei per jaar. Vanaf 1998 blijkt de jaarlijkse groei echter te zijn uitgekomen op een gemiddelde van slechts 2,6 procent.

Ook het Amerikaanse Ryder Scott, een onafhankelijk ingeneursbedrijf dat onlangs door Shell is ingehuurd om zijn reserves opnieuw te evalueren, ontkwam in het verleden niet aan de druk van zijn opdrachtgevers om meer olie en gas op te geven dan in de grond zat. Althans, dat beweren beleggers in een rechtszaak tegen het bedrijf wegens zijn te optimistische reserve-inschattingen van oliemaatschappij Coho in 1998. Ryder zou bijna 5 procent hebben opgeteld bij de bekende reserves. Coho ging in 1999 failliet. Ryder en de beleggers zouden de zaak naar verluidt binnenkort schikken.

Hoogleraar Coe, gespecialiseerd in het boekhouden, was verbaasd toen hij in januari voor het eerst hoorde over Shell's problemen. ,,Shell stond vroeger als conservatief bekend'', zegt hij. ,,Misschien hebben we hier te maken met een verlaat Enron-effect.''