Europa hervormt

Dat de overheid er niet alleen voor iedereen is, maar ook van iedereen is, met een per saldo door allen gewenste omvang en inhoud, lijkt een eenvoudige waarheid. Maar daarvan lijken nog maar weinig burgers/kiezers voortdurend overtuigd. Want voor steeds meer mensen staat de overheid buiten, boven of zelfs tegenover de `gewone' samenleving. Ook in de beeldvorming van de media staat zij vaak apart, als een aparte grijze grootheid, die onvoldoende goede resultaten `levert' en met wie de vrijgemaakte burger dus op gezette tijden stevig moet `afrekenen'. Zoiets geldt ook voor `de politiek', een begrip dat staat voor de deliberaties en beslissingen van mensen onder glazen stolpen, waarvan de belangrijkste in Nederland in het centrum van Den Haag te vinden zijn.

Dat die beslissingen (moeten) worden genomen door partijen met een politieke meerderheid die gevormd is op basis van een kiezersuitspraak, en dat het daarmee in principe dus ook `onze beslissingen' zijn, zelfs al voelen we meer voor opvattingen van de oppositie, is niet iets dat iedereen zich steeds realiseert. Integendeel, niet de notie dat politiek er als strijd van meningen voor iedereen is, lijkt het te hebben gewonnen, maar eerder de notie van de kapsalon, de sportkantine en de herensociëteit. Namelijk dat `de politiek' een verdacht spel is, doorgaans bedreven op flinke afstand van de samenleving door een kaste van beoefenaren die bij verkiezingen weliswaar even vertrouwen krijgen maar dat als `zakkenvullers', als kille asocialen of als sufferds snel weer verliezen. ,,Het woord is nu aan ,,de politiek'', zeggen kenners met sceptische gezichten, alsof zij rare gebeurtenissen aan de uiterste rand van de samenleving aankondigen.

In Nederland is de beweeglijkheid van de kiezers al een jaar of tien groot, de ups en downs van partijen als PvdA, CDA, VVD en D66 sinds 1994 laten dat zien. Soms is er van een debacle na acht jaar regeren naar een glorieus herstel als oppositiepartij maar acht maanden tijd nodig, zoals de PvdA merkte tussen mei 2002 en januari 2003. Het verschijnsel van snel wisselende kiezersvoorkeuren heeft Europese trekken en naar het lijkt overal in Europa ook vergelijkbare oorzaken. De band tussen partijen en kiezers/burgers is dunner geworden, het politieke bedrijf is gepersonaliseerd, wat betekent dat verantwoordelijkheid voor succes of mislukking in de ogen van de kiezers vaak bij één persoon ligt, of er nu plaatselijke, regionale of landelijke verkiezingen zijn. De burger is vrijer en ongebondener maar tegelijkertijd onzekerder in een globaliserende wereld waarin oude zekerheden (veiligheid, economie, het sociale systeem en het zorgstelsel) snel veranderen, of moeten veranderen. Bij veiligheid denkt de een aan zijn buurt, de ander aan het internationale terrorisme, weer een ander aan het Europese onvermogen om zoals in het geval-Irak als eenheid te spreken of te handelen. Bij economie denkt de West-Europese werknemer aan het verdwijnen van banen naar Oost-Europa (of Azië), waar auto's, machines en nog veel meer tegen veel lagere kosten te maken zijn. Dat proces, dat in feite een door de markt afgedwongen internationale arbeidsverdeling is, houdt vooral in Duitsland velen bezig. Over de in hun huidige vorm straks niet betaalbare sociale zekerheids- en zorgstelsels denkt de jonge gezonde kiezer anders dan de groeiende groep ouderen.

Kortom: de noodzaak van verandering, aanpassing, heroriëntatie bestaat eigenlijk alom, maar veel kiezers vrezen en lang niet altijd ten onrechte dat deze termen eufemismen zijn voor hun persoonlijke materiële achteruitgang. Waarbij het nuttig is te bedenken dat er, vooral in West-Europa, inmiddels complete generaties zijn opgegroeid die veel zekerheden die op de schop moeten gaandeweg als vanzelfsprekendheden zijn gaan waarderen.

Het verloop van de dingen in wat de Süddeutsche Zeitung een week geleden ons ,,depressieve continent'' noemde, geeft vaak hetzelfde beeld te zien. Een nieuwe regeringscoalitie treedt aan, zeg in Duitsland, Frankrijk, Italië of Polen. Welke politieke kleur die coalitie ook heeft, zodra zij eenmaal onder druk van klemmende omstandigheden haar hervormingsprogramma heeft voorgelegd verliest zij de gunst van de kiezers. Recente voorbeelden zijn spectaculair, Duitsland en Frankrijk zijn als grote Europese landen dubbel spectaculair. Daar zijn de verkiezingswinnaars van pas twee jaar geleden, in Duitsland Schröders SPD, in Frankrijk Chiracs conservatieven, enorm gezakt in de kiezersgunst, terwijl hun hervormingsplannen heel gematigd of tussentijds afgezwakt zijn, en terwijl de oppositie in hun landen niet of nauwelijks een alternatief heeft maar, zoals de PvdA in Nederland, niettemin `slapend' rijk wordt. Intussen stagneert de economische groei bijna overal in Europa en zondigt omstreeks de helft van de huidige EU-leden met tekorten boven 3 procent tegen het Stabiliteitspact. Met Parijs en Berlijn als koplopers.

Wat zouden trouwens de nieuwe Oost-Europese EU-leden denken van het gemak waarmee Parijs en Berlijn die zonde dragen? In Oost-Europa, waar ook wegens de volkswoedes over hervormingsplannen nu eens conservatieve, dan weer sociaal-democratische (ex-communistische) coalities sneuvelen, fungeert de Europese Commissie met haar begrotingseisen tot nu toe als erkende budgettaire arbiter. Zou dat zo blijven, straks, wanneer men in Praag, Boedapest of Warschau vergelijkingen gaat maken met de budgettaire vrijmoedigheid van de `oude' EU-leden? Zo ja, dan staat Europa nog wel iets te wachten.

Premier Thatcher kon Groot-Brittannië een kwart eeuw geleden ingrijpend gaan moderniseren omdat de Verelendung er zichtbaar zó om zich heen gegrepen had dat zij er een politiek en maatschappelijk draagvlak voor had (en dat later mede behield via de oorlog om de Falklands).

Zoals in Nederland het eerste kabinet-Lubbers (1982-1986) een draagvlak voor saneringsbeleid vond doordat de lijst van faillissementen en het percentage werklozen recordwaarden hadden bereikt. Zou zoiets, verdere economische Verelendung, nu her en der opnieuw vooraf moeten gaan aan de hervormingen die Europa nodig heeft? En moet Europa dan niet wat voorzichtiger zijn met zo'n doel als `het inhalen' van de VS?